Gezien, gehoord, gelezen

Gezien, gehoord gelezen

Titelpagina, Kluwer/Contact, Amsterdam 1989

Daniel Goldmark en Charlie Keil (eds)
Funny Pictures, Animation and Comedy in Studio-Era Hollywood
Berkely (University of California Press), 2011, 331 p., ill., € 22,99,isbn 9780520267244
(www.ucpress.edu/book.php?isbn=9780520267244)

De samenstellers van deze bundel, twee Noord-Amerikaanse filmacademici (Daniel Goldmark en Charlie Keil), gaan op zoek naar een verklaring voor de sterke associatie van de animatiefilm en ‘comedy’ binnen de Amerikaanse context. Dat de animatiefilm niet per se humoristisch hoeft te zijn, bewijst onder andere de enorme populariteit van dramatische anime in Japan. Goldmark en Keil stellen dat Hollywood cartoons twee evidente – maar zelden in hun samenhang onderzochte – aspecten verenigen: het zijn animatiefilms en het zijn comedies geproduceerd binnen het studio-systeem. Toch situeerde de productie van de animatiefilms zich veeleer in de marge van de studio's (vaak ook in afgescheiden locaties). Dergelijke crossmediale benaderingen van live action en animatie binnen de context van comedy zijn zeldzaam. Zoals herhaaldelijk in de bundel wordt opgemerkt, heeft ook het academisch onderzoek van de animatiefilm een vrij marginale en geïsoleerde positie binnen filmstudies.

De samenstellers vragen zich ondermeer af in welke mate er een relatie is tussen live action comedy en cartoons geproduceerd door de studio's. Gebruikten beide productietypes vergelijkbare humoristische technieken en conventies? Om dat uit te zoeken, doen Goldmark en Keil een beroep op een tiental medewerkers, veelal bekende namen binnen de studie van de animatiefilm (zoals Crafton, Wells en Sammond). De gebruikelijke opsplitsing van het terrein speelt dit boek echter parten, want ondanks het expliciete crossmediale of comparatieve oogmerk van de samenstellers, focussen sommige auteurs (zoals Simensky) slechts op één productietype. Specialisten van crossmediale analyse – zoals Henry Jenkins – blijven vooralsnog vrij zeldzaam. Jenkins herneemt in zijn bijdrage de term ‘Vulgar Modernism’ van J. Hoberman om opmerkelijke verbanden tussen manifestaties in verschillende media (tussen 1940 en 1960) te beschrijven, zoals de theatershow helzapoppin van Olsen en Johnson, de strips van Will Elder en de cartoons van Tex Avery.

In de bundel worden diverse aspecten belicht zoals de invloed van gags op de narratieve structuur, de rol van het geluid (stem en score) en het grensverleggende karakter van humor. Verscheidene bijdragen verwijzen expliciet naar een gemeenschappelijke voorvader van filmische comedy namelijk de vaudeville met losse, inwisselbare onderdelen, het heterogene publiek en het gelijksoortige repertoire aan gags. Tevens worden in dit boek enkele belangrijke crossover figuren voor het voetlicht gebracht, zoals Charles Chaplin (door Paul Wells), Charley Bowers (door Rob King) en Frank Tashlin (door Ethan de Seife). Eén van de beste bijdragen in deze bundel is die over Frank Tashlin, de creatieve duizendpoot die strips, geanimeerde cartoons en live action films maakte, gags en teksten schreef voor komieken als de Marx Brothers, Red Skelton en Laurel & Hardy. Al gebruikte Tashlin voor zijn live action films hetzelfde humoristisch materiaal als zijn toenmalige collega's (Hal Walker, Z. McLeod en Norman Taurog), zijn mise en scéne was – zo argumenteert De Seife – doorgaans rijker, intelligenter en gedurfder. De ervaring die Tashlin als animator opdeed, waarbij hij volledige controle over de mise en scéne had, speelde daarbij een cruciale rol.

Ondanks het feit dat de samenstellers in hun inleiding de veertien bijdragen tot een overtuigend discours weten samen te brengen, blijkt bij het lezen van de afzonderlijke hoofdstukken dat niet elke auteur zich gehouden heeft aan de centrale onderzoeksvraag. Sommige hoofdstukken zijn interessant (zoals die van Ohmer over de rol van publieksonderzoek bij Disney, of die van Simensky over animatie op de Amerikaanse kabeltelevisie in de jaren negentig), ze gaan echter niet expliciet in op de onderzoeksvraag die de samenstellers in hun inleiding centraal stellen. Zoals vele andere academische bundels blijft ook Funny Pictures uiteindelijk vrij heterogeen, zowel wat betreft de behandelde periodes en topics als de invalshoeken. In het beste geval werkt dat complementair, maar soms spreken de stellingen van de verschillende auteurs elkaar tegen. Terwijl Mark Langer in zijn bijdrage het heterogene en polyfonische karakter van de cartoons essentieel vindt (een erfenis van vaudeville en krantenstrips), betoogt Richard Neupert dat visuele gags in de animatiefilms van de jaren dertig toch effectief bijdroegen aan de coherente vertelling. Beide auteurs laten jammer genoeg na om hun vaststellingen ook te toetsen aan live action comedy uit dezelfde periode. Waar Kaufman in zijn bijdrage de creativiteit van de cartoons, in hun variatie op slapstick materiaal, beklemtoont, stelt Curtis dat comedy over het algemeen naar monotonie neigt en wijst hij onomwonden op de verveling die optreedt bij het bekijken van een reeks Tex Avery cartoons. Voorts is de ene gehanteerde methodologie (bijvoorbeeld de formele analyse van De Seife) overtuigender dan de andere, zoals de dubieuze Freudiaanse benadering van Philip Brophy. Volgens deze laatste zouden cartoons als roadrunner en coyote een allusie zijn op de naoorlogse situatie van het huwelijk in de VS: ‘Their vocal silence on the soundtracks links to all that is unsaid in the maritial bed (…)’. (p. 178).

Aan het eind van het boek zal de lezer toch een aantal nieuwe inzichten verworven hebben, maar de diversiteit aan benaderingen en topics maakt het hem of haar moeilijk om zich een duidelijk – laat staan coherent – overzicht van de problematiek te vormen. Uiteraard mag men van zo'n eerste verkenning van dit grotendeels onontgonnen terrein geen definitieve of uitputtende behandeling verwachten, maar Funny Pictures werpt alleszins enkele boeiende en indringende perspectieven op.

Hopelijk zullen toekomstige studies een meer systematische aanpak bieden en worden latere ontwikkelingen binnen de VS dan ook behandeld. Zo blijft een comedy traditie zoals die van de sitcom in deze bundel onbesproken, terwijl dit een interessante trend is in tv-animatieproductie sinds het succes van the flinstones in de vroege jaren zestig. Ten slotte zou het boeiend zijn een vergelijkbare studie op te zetten over de relatie tussen comedy en animatie in de Europese of de Aziatische context, want die vallen per definitie buiten het blikveld van deze Amerikaanse bundel.

Pascal Lefèvre



Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.

ISSN: 2213-7653