Gezien, gehoord, gelezen

Gezien, gehoord gelezen

Francis X. Blouin Jr. & William G. Rosenberg

Freek L. Bakker
Jezus in beeld: een studie naar zijn verschijnen op het witte doek
Utrechtse Studies xv (Uitgever Van Gruting) 2011, 264 p., € 25,-, isbn 978 90 75879 551
(www.vangruting.nl/zingeving/jezusinbeeld.html)

Onlangs werd bekend dat Paul Verhoeven alsnog een poging zal wagen zijn film over het leven van Jezus te verfilmen. Mocht het project, dat de afgelopen jaren met enige regelmaat werd aangekondigd (en vervolgens weer door Verhoeven in de ijskast werd gezet), nu eindelijk zijn weg vinden naar het witte doek, dan betekent dit een unicum in het genre van de Jezusfilm. Verhoeven zou dan de eerste Nederlandse regisseur zijn die zich aan dit onderwerp waagt.

In zijn boek Jezus in beeld: een studie naar zijn verschijnen op het witte doek, noemt Freek Bakker uiteraard Verhoevens Jezusproject, en het zou in voltooide vorm ongetwijfeld ook een plek hebben gekregen in Bakkers studie. Het doel van het boek is een analyse te geven van de twintig belangrijkste Jezusfilms uit de geschiedenis (waarbij onvermijdelijk de nadruk ligt op Amerikaanse films, maar er is ook ruimte voor niet-westerse representaties van Jezus, in Indiase en Zuid-Afrikaanse cinema).

Bakker hanteert in zijn boek een chronologisch perspectief, waarbij de periode van de zwijgende film het startpunt is (met als hoogtepunt Cecil B. deMilles the king of kings uit 1927) en zijn selectie eindigt met twee films uit 2006 (vernieuwend in de zin dat er een niet-witte Jezus wordt opgevoerd). Opvallend is dat in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw een grote hoeveelheid Jezusfilms werd geproduceerd, waarbij de Jezusfilm als genre (een opvatting die vreemd genoeg door Bakker niet naar voren wordt gebracht) ook een succesvol uitstapje maakte naar het musicalgenre (jesus christ superstar en godspell, beide uit 1973). In de jaren tachtig verschijnen er slechts twee films die zich wagen aan het leven van Jezus, en beide zorgen voor ophef (jésus de montréal en vooral Martin Scorseses the last temptation of christ). Vanuit een genre-historisch perspectief gezien leek daarmee het genre van de Jezusfilm op sterven na dood. Mel Gibsons the passion of the christ uit 2004 is in meerdere opzichten een extreme film, maar kan niet worden beschouwd als een reanimatie van het genre (eerder een aberratie). Bakker vindt de film echter belangrijk genoeg om er een afzonderlijk hoofdstuk aan te wijden, waarover later meer.

Cruciaal in Bakkers corpusafbakening is het onderscheid dat theologen en religiewetenschappers maken tussen een Jezusfilm en een Christusfilm. Eerstgenoemde focust op de historische feiten die bekend zijn omtrent de persoon en het leven van Jezus, terwijl in een Christusfilm een hoofdpersonage voorkomt dat kenmerken en raakvlakken heeft met de Bijbelse Jezus, maar dat niet letterlijk is. Christusfiguren zijn daarom in allerlei verschijningsvormen te ontdekken in populaire cultuur, en kunnen bijvoorbeeld zowel mannelijk als vrouwelijk zijn. Bakker is geïnteresseerd in de representatie van de Bijbelse Jezus, en legt daarom veel nadruk op de Bijbelse inhoud van de gekozen films. Dit wil zeggen dat de handelingen en uitspraken van het Jezuspersonage op het witte doek een bron hebben in één van de vier evangeliën.

Met zijn achtergrond als vergelijkend theoloog is het niet verwonderlijk dat Bakker zich met name concentreert op de bijbelse context van film. Aangezien Bakker geen filmwetenschapper is, laat hij zich op dat gebied leiden door het standaardwerk Film Art van David Bordwell en Kirstin Thompson. Daarnaast beroept Bakker zich methodologisch op de cultural studies benadering. In de behandeling van de gekozen films valt op dat Bakker beter uit de voeten kan met de cultural studies insteek dan met Bordwell en Thompson. De culture context van iedere film krijgt veel aandacht, maar een filmanalytische beschouwing, met behulp van het filmtechnische begrippenkader van Bordwell en Thompson, is ver te zoeken. De analyses van de films zijn in feite zeer uitgebreide plotbeschrijvingen. Op het gebied van Bakkers eigen discipline valt op dat het theologisch commentaar zich vooral toespitst op de vraag welke evangelische bronnen er zijn gebruikt. Als zodanig worden de evangelische bronnen opgenoemd en waar nodig toegelicht, wat zeker een goede aanvulling is op reeds bestaande interpretaties van Jezusfilms, die dit aspect niet of nauwelijks behandelen. Echter, de lezer bekruipt het gevoel dat Bakker een meer kritische beschouwing uit de weg gaat, waardoor met name de theologische analyse te voorzichtig of te braaf genoemd mag worden.

Bakkers behandeling van Gibsons the passion of the christ is hiervan een goed voorbeeld. De controverse rondom de film begon al ruim voordat deze in première ging. Bakker noemt weliswaar de, vooral in de VS, hoogoplopende discussie over het aantoonbaar antisemitische gehalte van de film maar laat de consequenties van Gibsons theologische bronnen buiten schot. Het feit dat Gibson rijkelijk put uit de omstreden geschriften van de Duitse non en mystica Anna Katharina Emmerick kwam de regisseur zelfs op kritiek van de Rooms-Katholieke kerk te staan. In Bakkers theologisch commentaar wordt de antisemitische inhoud van de film volledig vergeten. Ook Gibsons excessieve gebruik van geweld, waarbij hij zich beriep op zijn taak om een representatie te geven van de ‘werkelijkheid’ van Jezus’ lijden, wordt onvoldoende bekritiseerd. Als geweld en antisemitisme de twee belangrijkste pijlers zijn van de commercieel meest succesvolle Jezusfilm aller tijden, dan verwacht de lezer dat Bakkers theologisch commentaar zich daar toch tenminste enigszins kritisch over zou uitspreken. Als we the passion of the christ opvatten als een spiegel van de tijd en cultuur waarin de film is gemaakt, is er reden voor ongerustheid – en niet alleen onder theologen.

Bakkers boek lijkt geschreven voor een publiek dat zich wellicht normaal gesproken niet verdiept in het veld van filmstudies. Voor een dergelijk publiek vormt dit boek een aardige in het Nederlands geschreven introductie tot een rijke collectie films. Van filmwetenschappers, geïnteresseerd in het onderwerp, mag worden verondersteld dat zij bekend zijn met de standaardwerken in het veld van de Jezusfilm (Baugh, Barnes Tatum en Reinhartz). Voor laatstgenoemde publiek voegt Bakkers studie dan ook weinig nieuws toe, aangezien hij zijn in potentie sterkste troef, het theologisch perspectief, te weinig uitspeelt. Jammer is ook dat bij de eindredactie twee opvallend grote, en voor een filmwetenschapper bijzonder storende, fouten aan de aandacht zijn ontsnapt (de namen van regisseurs Cecil B. DeMille en Martin Scorsese, toch bepaald geen obscure figuren in de filmgeschiedenis, worden consequent fout gespeld). Al met al is Jezus in beeld: een studie naar zijn verschijnen op het witte doek gedeeltelijk geslaagd: als Nederlands naslagwerk van Jezusfilms vult het een lacune, als theologisch-kritische analyse komt de figuur van Jezus slechts gedeeltelijk in beeld.

Laura Copier



Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.

ISSN: 2213-7653