Journalistiek Oriëntalisme. C.k. Elout En De Transformatie Van De Koloniale Verslaggeving In Nederland 1920–1930

Vincent Kuitenbrouwer

Journalistiek oriëntalisme. C.K. Elout en de transformatie van de koloniale verslaggeving in Nederland 1920–1930

Abstract

In the interwar period, the leading Dutch journalist C.K. Elout conducted two research trips to the Dutch East Indies for the newspaper Algemeen Handelsblad. This article studies Elout’s letters from his travels in the context of the growing journalistic interest in the Netherlands in colonial matters in the 1920s. The reason for this interest was the increase in information transferred between the Netherlands and South-east Asia as a result of new technologies and rising tensions in the Indies due to the emergence of the anticolonial movement. Through his letters, Elout intended to stimulate colonial reporting in the Netherlands, with the goal of strengthening overseas ties. Therefore, this corpus of texts can be seen as a form of journalistic orientalism in which the author extensively reflects on the differences between the West and the East. This article focuses on these reflections and demonstrates how they influenced Elout’s later commentary on the news from the Dutch East Indies.


Keywords: Nederlands-Indië; interbellum; oriëntalisme; koloniale verslaggeving; C.K. Elout



In 1925 maakte de Nederlandse journalist Cornelis Karel Elout een rondreis van vier maanden door de Indonesische archipel. Elout, een befaamd politiek commentator voor het invloedrijke Algemeen handelsblad, was een van de meest vooraanstaande opiniemakers die Nederlands-Indië bezocht na de Eerste Wereldoorlog.1 Tijdens zijn reis schreef hij een serie brieven die verschenen in ‘zijn’ Algemeen handelsblad en een jaar later gebundeld werden in het rijk geïllustreerde Indisch dagboek. In dit geschrift beschreef Elout de indrukken die Indië op hem had gemaakt en benadrukte dat hij ‘de kolonie’ onlosmakelijk verbonden zag met het ‘moederland’ in één ‘Groot-Nederland’.2 In het voorwoord van Indisch dagboek gaf hij aan dat hij met zijn werk beoogde om het publiek in Nederland beter te informeren over de kolonie in de Oost. Hij liet het dan ook niet bij dit ene project en schreef vanaf 1925 met regelmaat over koloniale thema’s in zijn krantencommentaren. Bovendien reisde hij nogmaals af naar Nederlands-Indië in 1929, weer met een serie journalistieke reisbrieven tot gevolg: De groote oost (1930).

Naast deze gevolgen voor het verloop van Elouts journalistieke carrière, kan gesteld worden dat zijn Indische reis in 1925 samenviel met het begin van een nieuwe periode in de koloniale verslaggeving in Nederland. Na de Eerste Wereldoorlog vonden er grote veranderingen plaats in de infrastructuur tussen het koloniale centrum in Europa en de periferie in Zuidoost-Azië, die tot gevolg hadden dat er veel meer informatie uitgewisseld werd. Bovendien leidden allerlei (geo)politieke omstandigheden, zoals de opkomst van het antikoloniaal nationalisme, onder sommigen tot angst dat de kolonie verloren zou gaan, met rampspoed voor Nederland als gevolg. In deze context trad Elout naar voren om de koloniale verslaggeving een nieuwe impuls te geven door meer nadruk te leggen op het belang van verslaggeving op locatie en door zijn poging de politieke verhoudingen in de kolonie op gestructureerde wijze te duiden. Hoewel hij niet de enige was die dit trachtte te doen, is zijn werk van belang omdat hij in de jaren 1920 gold als de grand old man van de Nederlandse kwaliteitsjournalistiek, vanwege zijn reputatie als sterverslaggever met decennialange ervaring in binnen- en buitenland en vanwege zijn invloedrijke positie in de Nederlandse Journalisten Kring.3 Bovendien stond (en staat) hij bekend als een van de meest getalenteerde stilisten in de journalistiek van zijn tijd.4

Dit artikel belicht Elouts reisbrieven uit Nederlands-Indië om te zien op welke manier hij een bijdrage heeft trachten te leveren aan de koloniale verslaggeving in Nederland. Na een uiteenzetting over de context van zijn eerste reis zal met name Indisch dagboek onder de loep genomen worden. De vraag die hierna gesteld wordt, is op welke manier dit reisverslag heeft doorgewerkt in zijn latere journalistieke werk. De focus in deze analyse ligt met name op de manier waarop Elout schreef over de verhoudingen tussen westerse en niet-westerse mensen in de archipel. Het uitgangspunt hierbij is dat deze bespiegelingen niet neutraal waren, maar te zien zijn als een journalistieke vorm van oriëntalisme dat nauw verbonden was met de Nederlandse koloniale aanwezigheid in de Indonesische archipel. Daarom zal ook steeds worden gereflecteerd op de bredere contexten, zowel journalistiek als politiek, waarin Elout zich bewoog. Op deze manier beoogt deze casestudy een aanknopingspunt te bieden voor meer onderzoek naar de koloniale verslaggeving in Nederlandse kranten.

Deze bijdrage is bedoeld als een aanvulling op het historiografische debat over de Nederlandstalige pers in het interbellum. In de afgelopen decennia is belangwekkend onderzoek verricht naar de pers in Nederland én de pers in Nederlands-Indië in die periode, maar er bestaat geen werk dat de een structurele analyse biedt van de interactie tussen deze sferen. Ondanks dit historiografisch hiaat zijn er veel aanwijzingen dat zulke interactie aanwezig was. Zo tonen biografieën van prominente negentiende- en twintigste-eeuwse auteurs dat in Nederland opgeleide journalisten een belangrijke stempel drukten op de ontwikkeling van de pers in Nederlands-Indië. Bovendien schreven deze auteurs ook voor Nederlandse kranten en mengden ze zich na hun terugkeer naar Nederland actief in het debat over de kolonie.5 Naast deze persoonlijke banden was er ook sprake van een circulatie van journalistieke informatie. Kranten in Nederlands-Indië publiceerden geregeld overzichten van de pers in patria en in Nederland publiceerde De Indische gids vanaf 1879 een overzicht van de koloniale media.6 Ten slotte bewijzen recente publicaties van Jennifer Foray en Paul Bijl dat er op verschillende momenten in de twintigste eeuw sprake was van debatten over Indische kwesties in Nederlandse media.7 Deze voorbeelden tonen aan dat er veel primair bronnenmateriaal beschikbaar is over de journalistieke netwerken tussen Nederland en Indië.

De historische analyse van deze bronnen is echter een moeilijke zaak. Verschillende vooraanstaande auteurs hebben problemen gesignaleerd met betrekking op de studie van de koloniale verslaggeving in Nederland. Gerard Termorshuizen, de nestor van de studie naar Indische kranten, signaleert een structureel verschil tussen de pers in Nederland, waar in context van verzuiling een formele stijl van verslaggeving ontstond waarin journalistiek professionalisme als kernwaarde fungeerde, en de pers in Nederlands-Indië, die vooral bedoeld was voor afleiding van de dagelijkse sleur van expats en zo gekenmerkt werd door een polemische ‘tropenstijl’. 8 Naast de commerciële aspecten had de Indische pers ook een politieke functie als uitlaatklep voor spanningen die ontstonden door de autocratisch-bureaucratische bestuursstructuur die Indië kende. Janny de Jong ziet ook in dit opzicht een fundamenteel verschil tussen de Indische journalistieke schrijfstijl en die van de gezagsgetrouwe pers in Nederland van die tijd.9 Tijdgenoten waren zich bewust van deze verschillen en onder het Nederlandse journaille had het pittige proza van hun Indische collega’s een slechte reputatie.10 In de loop van het interbellum kwam de ‘tropenstijl’ dan ook onder druk te staan vanwege de ‘verwestersing’ van Indië. Toch kende de Indische pers in die tijd ongekend felle polemieken tussen conservatieve en progressieve journalisten, die volgens Ulbe Bosma een unieke weerspiegeling waren van de toenemende polarisatie in de koloniale samenleving.11

Een ander probleem is kort gesignaleerd door Frank van Vree die in de handelseditie van zijn proefschrift opmerkt dat de wettelijke kaders voor persvrijheid in Nederland en Nederlands-Indië significant verschilden. Dit maakt een vergelijking tussen de twee delen van het Nederlandse rijk volgens hem complex.12 Deze opmerking wordt onderschreven door het proefschrift van Miriam Maters over de geschiedenis van de Indische overheidscensuur. Hoewel de preventieve censuur in 1906 werd afgeschaft, voerde de koloniale overheid in de loop der jaren steeds meer ordonnanties in, de zogenaamde ‘haatzaai-artikelen’, die waren gericht tegen opruiing in kranten. Na 1931, in context van de groeiende angst van het koloniale regime voor antikoloniaal nationalisme en communisme, konden de autoriteiten zelfs overgaan tot het tijdelijk verbieden van titels zonder tussenkomst van een rechter. Journalisten in Indië werden met regelmaat door deze censuurmaatregelen getroffen en, hoewel deze vervolging het meest ingezet werd tegen Chinese en Indonesische auteurs, kwamen ook Nederlandse journalisten er door in de knel. Hoewel er in Nederland protest was tegen deze draconische maatregelen werden ze door velen geaccepteerd als noodzakelijk om de koloniale orde te handhaven. Het is hierbij van belang te beseffen dat men in het thuisland in diezelfde periode lang niet zo ver ging in het knevelen van de pers.13

Bovenstaande opmerkingen tonen dat het onderzoek naar de koloniale verslaggeving in Nederland een gecompliceerde zaak is vanwege de grote verschillen tussen de journalistiek in de rijksdelen. Toch zijn er mogelijkheden om die moeilijkheden te omzeilen. Een trend in de historiografie over het Britse Rijk, die de laatste twee decennia bekend is komen te staan als New Imperial History, biedt aanknopingspunten. Een van de belangrijkste uitgangspunten van deze stroming is dat centrum en periferie waren verbonden door complexe netwerken waardoor er veel interactie was.14 Dit nieuwe geografische kader heeft met name in de persgeschiedenis tot interessante inzichten geleid, zoals in het werk van Simon Potter die aantoont dat de delen van het Britse Rijk waar blanke kolonisten dominant waren, de zogenaamde dominions, deel uitmaakten van een ‘press system’ waarin informatie en redactionele praktijken op structurele wijze werden uitgewisseld. Fundament van dit netwerk was het imperium van Reuters dat alle delen van het Britse Rijk verbond door middel van intercontinentale telegraaflijnen die in het laatste kwart van de negentiende eeuw op de oceaanbodems waren aangelegd.15 Zoals hieronder aangetoond zal worden, is deze context ook relevant voor de Nederlandse koloniale mediageschiedenis aangezien het onze aandacht vestigt op het feit dat de transnationale informatienetwerken die centrum en periferie met elkaar verbonden in de jaren na de Eerste Wereldoorlog een ware transformatie ondergingen.

Een ander belangrijk thema in de New Imperial History is westerse beeldvorming over niet-westerse volken. Sinds het boek Orientalism (1978) van de Palestijnse literatuurwetenschapper Edward Said is het een wijd verspreid idee dat deze beeldvorming niet neutraal was maar nauw verbonden met koloniale machtsverhoudingen. Dit leidde tot een zekere dichotomie tussen de westerse ‘zelf’ en de niet-westerse ‘ander’. Hoe die relatie historisch gezien precies in elkaar stak, is echter inzet van veel debat in een schier eindeloze reeks van publicaties in de Angelsaksische academische wereld.16 Vergeleken hierbij is het oriëntalisme-debat in Nederland nog beperkt, hoewel verschillende auteurs aandacht hebben besteed aan de aard van de beeldvorming over Indonesiërs in verschillende sectoren van de Nederlandse samenleving.17 Opmerkelijk is het dat er in onderzoek naar krantenmateriaal nagenoeg niets is gedaan met deze inzichten. In dit opzicht kan deze bijdrage over het werk van Elout een aanzet zijn tot meer onderzoek. Het is hierbij van belang om te beseffen dat de journalist een onomwonden voorstander was van het Nederlandse regime in Indië, een houding die zijn beschouwingen op de koloniale verhoudingen sterk kleurde. In haar boek Along the Archival Grain betoogt Ann Stoler dat een close reading van het koloniale archief toont dat deze houding in de laat-koloniale periode voortkwam uit angst over het voortbestaan van de door hen gedomineerde sociale orde in de Indonesische archipel.18 Onderstaande lezing van Elouts Indisch dagboek ligt in het verlengde van dit inzicht en zal de narratieve strategieën blootleggen waarmee de journalist het koloniale regime trachtte te verdedigen tegen de gevaren die het volgens hem bedreigden.

De Indische reis van Elout in historische context

Het interbellum was een opmerkelijke periode in de koloniale geschiedenis van Nederland. Veel van de gebeurtenissen in die decennia zijn terug te leiden tot de koloniale crisis die zich tijdens de Eerste Wereldoorlog afspeelde. Hoewel Nederland erin slaagde om neutraal te blijven en zo aan de slachting van het Europese westfront te ontsnappen, had het conflict ingrijpende gevolgen voor de koloniale verhoudingen. De Britten stelden namelijk strikte blokkades in om te voorkomen dat Duitsland via Nederlandse netwerken aan informatie en goederen kon komen. Ten eerste was er een zeeblokkade, die de koloniale handel nagenoeg stillegde en die vanaf 1917 ook alle post die per boot gezonden werd, tegenhield.19 Daarnaast werd ook het telegraafnetwerk aan strikte censuur onderworpen. Dit had grote gevolgen voor de Nederlandse koloniale communicatielijnen aangezien het land geen onafhankelijke telegraafverbindingen bezat en alleen gebruik kon maken van Britse hardware. Naast het Britse verbod op de verzending van gecodeerde berichten, was het überhaupt onduidelijk welke ongecodeerde berichten wel en niet doorgegeven werden, waardoor het telegraafcontact tussen Den Haag en Batavia in praktijk zeer bemoeilijkt werd.20

De Britse blokkades hadden veel gevolgen in Nederlands-Indië. Door de teruggelopen handel brak een economische crisis uit die vooral onder de inheemse bevolking leidde tot veel armoede en schaarste. In verschillende delen van de archipel braken onlusten uit in reactie op de verslechterde omstandigheden. Daarnaast wisten antikoloniale organisaties van uiteenlopend ideologisch pluimage deze onvrede in toenemende mate te mobiliseren zodat ook de politieke druk op het koloniale regime toenam.21 De bestuurlijke top, gevestigd in Batavia, ervoer deze situatie als een grote crisis en dat onbehagen werd versterkt door het feit dat er geen ruggespraak mogelijk was met de regering in Den Haag. Met name van de in 1917 aangetreden landvoogd Johan Paul van Limburg Stirum is bekend dat hij in de eerste jaren van zijn bewind met de handen in het haar zat, omdat hij het gevoel had dat de ‘navelstreng’ met Nederland verbroken was. Dit heeft volgens zijn biografen bijgedragen aan de knieval die hij in 1918 maakte naar de antikoloniale partijen toen hij besloot tot de instelling van een proto-parlement, de Volksraad, waarin vertegenwoordigers van antikoloniale partijen zitting mochten nemen.22

Deze oplossing van Van Limburg Stirum kan gezien worden als een hoogtepunt in de zogenaamde ‘ethische politiek’, een beleidslijn die vanaf het begin van de twintigste eeuw werd aangehouden om de sociaaleconomische en intellectuele ontwikkeling, en (uiteindelijk) politieke emancipatie van de Indonesische bevolking te bevorderen naar westers model.23 Maar rond 1920 manifesteerde zich, mede door de instelling van de Volksraad, brede oppositie tegen dit beleid en rechtse opiniemakers ontwikkelden het principe van ‘rijkseenheid’, gebaseerd op het idee dat het koloniale bezit in de Oost van cruciaal belang was voor Nederland en dat de banden tussen de twee gebieden, koste wat kost, moesten worden versterkt. Onder de Nederlandse bewoners van Indië won dit idee aan invloed en resulteerde onder andere in de oprichting in 1929 van een politieke beweging genaamd ‘de Vaderlandsche Club’, die brede steun genoot in de koloniale pers. Gevolg was dat er rond 1930 een vergaande polarisatie ontstond tussen progressieve bestuursambtenaren, die het welzijn van de Indonesiërs propageerden, en meer conservatieve elementen van de Nederlandse gemeenschap in Indië, die hamerden op handhaving van de sociale orde.24

Ook in Nederland deed de rijkseenheidsgedachte in het begin van de jaren 1920 opgang vooral gesteund door de ‘koloniale lobby’, een beweging die was gefinancierd door vooraanstaande figuren in het koloniale bedrijfsleven die de publieke opinie wilden doordringen van de noodzaak om Indië te behouden.25 Er is nog nauwelijks onderzoek verricht naar de verhouding tussen de rijkseenheidsbeweging en de Nederlandse pers. Wel zijn er aanwijzingen dat de ‘ethische’ richting, na een korte bloei in het eerste decennium van de twintigste eeuw, steun verloor in het Algemeen handelsblad. Deze krant lijkt al in een behoorlijk vroeg stadium een draai naar rechts gemaakt te hebben toen in 1909 de enigmatische journalist Charles Boissevain, na zijn pensionering als hoofdredacteur, een reis maakte naar Nederlands-Indië. Zijn reisverslagen, gebundeld onder de titel Tropisch Nederland, bevatten in pompeus opgeschreven proza loftuitingen over de ‘grootsche’ zaken die het ‘Nederlandse ras’ in dat deel van de wereld verricht had. Ook beklaagde hij zich over de ‘sentimentalistische’ critici van het in zijn ogen ‘manhaftige’ beleid van de toenmalige gouverneur-generaal J.B. Van Heutsz die met harde hand de koloniale orde handhaafde. Veel elementen uit Boissevains journalistiek verslag, waaronder de gevleugelde term ‘tropisch Nederland’, kwamen terug in de koloniale propaganda van het interbellum.26

In de poging om de banden tussen Nederland en de kolonie in de Oost aan te halen, roemden de aanhangers van de rijkseenheidsgedachte de nieuwe technologieën die na 1920 opkwamen. Die stelden Nederlanders namelijk in staat om de eigen koloniale infrastructuur te versterken en de afhankelijkheid ten opzichte van de Britse communicatielijnen te verkleinen. De belangrijkste innovatie vond plaats op gebied van radiotechnologie. In 1916 promoveerde C.J. de Groot, een ingenieur in dienst van de Indische overheid op groot verlof in Nederland, op een proefschrift waarin hij stelde dat de afstand tussen Nederland en Nederlands-Indië overbrugd zou kunnen worden met radiogolven, waardoor het telegraafverkeer niet meer afhankelijk zou zijn van de Reuterslijnen. De Nederlandse regering gaf hem ruime financiële middelen om hiermee te experimenteren, wat leidde tot de ingebruikneming van een draadloos telegraafnetwerk in 1923.27 In Indië werd een ander initiatief genomen om het informatiemonopolie van Reuters te ondermijnen met de oprichting van het persagentschap ANETA. In de jaren die volgden, wist die organisatie met uitgebreide, zij het bedekte, steun van Nederlandse overheden een monopolie te vestigen op de nieuwsstromen naar en vanuit de Indonesische archipel.28

Ook andere nieuwe technologieën in het begin van de jaren 1920 hielpen om de koloniale crisis van de Eerste Wereldoorlog te boven te komen. Ten eerste was in de jaren daarvoor een nieuwe generatie zogenaamde ‘mailschepen’ te water gelaten, die sneller waren dan de stoomboten die daarvoor tussen Nederland en de archipel voeren. De reistijd liep daarmee significant terug en ook waren de schepen groter zodat meer mensen tegen een lagere prijs vervoerd konden worden.29 Een andere in het oog springende innovatie was de opkomst van de burgerluchtvaart, die vanaf het eind van de jaren 1920 de reistijd naar de archipel nog meer verkortte. Hoewel slechts een kleine groep welgestelden gebruik van kon maken van dit peperdure vervoersmiddel, werd de luchtpost een belangrijk communicatiemiddel voor Nederlanders die in de archipel verbleven.30 In een boeiend artikel heeft Jur van Goor aangetoond dat deze ontwikkelingen ertoe leidden dat een groeiend aantal schrijvende Nederlanders afreisde naar Nederlands-Indië om verslag te doen van de situatie aldaar.31 Een van de eerste, en meest bekende, van deze literaire toeristen was Louis Couperus, die in 1921–1922 voor de Haagsche post een uitgebreide reis maakte door de archipel, en daarna naar China en Japan, waarvan hij gedetailleerd verslag deed in een serie reisbrieven die zijn gebundeld in het postuum verschenen boek Oostwaarts.32

Door deze technologische ontwikkelingen, die er op gericht waren de koloniale banden aan te halen, nam de hoeveelheid informatie over Indië die in Nederland beschikbaar was significant toe vanaf het begin van de jaren 1920. Bovendien was er, vooral dankzij ANETA, voor het eerst in de koloniale geschiedenis een constante, regelmatige, nieuwsstroom voorhanden die allerlei aspecten van de koloniale samenleving belichtte. Deze ontwikkeling vroeg om aanpassingen in redactioneel beleid van veel kranten. Tot die tijd kon het koloniale nieuws dat binnendruppelde opgevangen worden door niet-professionele journalisten. Vaak waren dit gerepatrieerde officieren van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) die vooral raad wisten met het nieuws over de talrijke militaire expedities die in de vroege twintigste eeuw plaatsvonden.33 Vanaf het midden van de jaren 1920 ruimden verschillende kranten structureel plaats in voor meer Indisch nieuws op hun pagina’s en om dat te doen was er vraag naar ‘koloniale specialisten’, all-round journalisten die in staat waren een duidelijke redactionele lijn te ontwikkelen. Voor het eerst in de persgeschiedenis werden daarom toonaangevende auteurs die in Indië hadden gewerkt gerekruteerd door vooraanstaande kranten in Nederland.34

Bovendien gingen ook invloedrijke journalisten in Nederland zich meer bezig houden met koloniale zaken, getuige de carrièreswitch die Elout maakte in het midden van de jaren 1920. Destijds had hij een eminente positie in het Nederlandse krantenbedrijf, een positie waar hij zich zeer bewust van was en die zich vertaalde in een groot maatschappelijk engagement. Zijn positie als Haags correspondent voor het Algemeen handelsblad, die hij sinds 1901 bekleedde, gaf hem toegang tot de hoogste regionen van de Nederlandse politiek en vormde de basis voor zijn invloed als opiniemaker. Zijn commentaren, die steevast werden voorafgegaan door een hoefijzerteken, werden door veel politici nauwkeurig gelezen en zijn onomwonden opinies veroorzaakten meerdere malen opwinding in het parlement. Bovendien stond hij bekend als superieur stilist die zich in zijn scherpe bespiegelingen bediende van een ‘literair-satirische schrijfstijl’.35 Het is daarbij belangrijk te beseffen dat Elout zichzelf typeerde als een ‘furieus individualist’ en bij tijd en wijle inging tegen de hoofdredactionele lijn van het Algemeen handelsblad, wat leidde tot controverses binnen en buiten de burelen van de krant.36

Deze eigengereidheid komt duidelijk naar voren in Elouts ontluikende interesse in Nederlands-Indië. In de vroege jaren 1920 was de Nederlandse politiek, en daarmee de politieke verslaggeving, in rep en roer over de Vlootwet, het mislukte plan van het tweede kabinet-Ruijs de Beerenbrouck om de koloniale vloot te versterken.37 Terugkijkend noemde Elout de stemming over dit onderwerp in 1923 ‘een van de meest spannende Kamerdagen’ uit zijn carrière, maar het debat was volgens hem vooral politiek gekrakeel.38 Veel belangrijker vond hij de in alle rust verlopen parlementaire goedkeuring van de Indische Staatsregeling in 1925 die meer medezeggenschap overhevelde van het Nederlandse parlement naar de Volksraad in Batavia. Aan de ene kant bewonderde Elout deze stap op de ‘weg naar meer zelfstandigheid’, maar vreesde ook dat ‘heethoofden’ uit de antikoloniale beweging op onverantwoorde wijze met deze toegenomen autonomie zouden omspringen.39 Het was deze kwestie die Elout deed besluiten om zich meer toe te leggen op koloniale zaken om zo het Nederlandse publiek bewust te maken van het grote belang van Indië.40

In dit licht signaleerde Elout de toegenomen mogelijkheden om via nieuwe technologieën informatie vanuit de kolonie over te brengen naar Nederland en te verspreiden. In het voorwoord van het Indisch dagboek noemde hij bijvoorbeeld bioscopen als belangrijke plekken waar het publiek een beeld kon krijgen van Nederlands-Indië.41 Elout was echter ambivalent over de nieuwe media in zijn tijd. Zo verzette hij zich fel tegen de opkomst van nieuwsagentschappen, zoals ANETA, die volgens hem oppervlakkig nieuws overbrachten, dat de kranten intellectueel zou verarmen. In het interbellum profileerde Elout zich als een van de meest fanatieke voorvechters voor het behoud van literaire kwaliteiten binnen het journalistieke bedrijf in Nederland en droeg daarmee bij aan het behoud van de traditie van de grand reportage in de kranten van die tijd.42

In 1929 verschenen drie films over Nederlands-Indië gemaakt door de Nederlands-Indische Film Maatschappij, de Maha-cyclus: Mahasoetji, Mahamoelia en Mahakoeasa. Deze films, die goed aansluiten op het gedachtengoed van Elout, worden bewaard in het Nederland Instituut voor Beeld en Geluid. Dit is de eerste akte van Mahasoetji.

Een ander probleem dat Elout signaleerde was het feit dat er enorm veel meningen over de kolonie en haar toekomst bestonden: ‘Indië schijnt waarlijk wel het land der elkander tegensprekende deskundigen te zijn.’ Elout verklaarde dit doordat mensen die zich voor een langere tijd in Indië vestigden al snel in een bepaalde ‘belangen- of ideeënsfeer’ terechtkwamen. Bovendien waren deze expats in de regel standplaatsgebonden, terwijl de kolonie zo uitgestrekt was als een ‘werelddeel’ waardoor het hen onmogelijk was een totaalbeeld van Indië te verkrijgen.43 Aangezien Elout in 1925 slechts vier maanden in de archipel rondreisde (zes als men de zeereizen heen en terug meerekende) en een beperkt deel van het gebied bezocht, kon ook hij onmogelijk zo’n totaalbeeld verwezenlijken. Hij waarschuwde de lezer van het Indisch dagboek dan ook dat het boek niet meer bevatte dan ‘snelle persoonlijke waarnemingen’ en dat er ‘meeningen van den schrijver’ konden worden aangetroffen die men maar op de koop moest toe nemen. Uiteindelijk was zijn verslag simpelweg ‘krantenwerk’.44 Ondanks deze disclaimers zijn er aanwijzingen dat Elout met zijn reisverslag een wezenlijke impuls aan de koloniale verslaggeving beoogde te geven. Voordat gekeken zal worden in hoeverre dit gebeurd is, worden hieronder eerst de belangrijkste thema’s uit Indisch dagboek besproken.

‘De ziel van Indië’

Indisch dagboek is een bundeling van de reisbrieven die Elout tijdens zijn trip opstuurde naar Algemeen handelsblad. De structuur van het grootste deel van het narratief is daarom chronologisch en behandelt de zeereis heen (drie brieven), Java (twaalf brieven), Bali (twee brieven), Midden-Celebes (drie brieven) en Sumatra (vijf brieven). Deze ‘toeristische’ brieven geven een uitgebreide beschrijving van alle plekken die Elout bezocht en zijn persoonlijke indrukken. Op de zeereis terug schreef Elout daarbij nog eens elf brieven met daarin meer thematische bespiegelingen op verschillende aspecten van de koloniale samenleving waarbij hij de ‘ziel van Indië’ in woorden probeerde te vangen. Centraal in deze beschouwingen, waarop de hier opvolgende analyse grotendeels is gebaseerd, staat de relatie tussen het Westen en het Oosten.

In het algemeen signaleerde Elout een grote tegenstelling tussen de westerse en oosterse manier van leven. Hij zag westerse cultuur als ‘dynamisch’, vooruit gestuwd door het kapitalisme en door een grote hang naar individuele vrijheid. De oosterse cultuur daarentegen werd getypeerd door ‘het statische, de passiviteit’, die voortkwam uit de diepe spiritualiteit van de mensen en hun gevoel onderworpen te zijn aan hogere machten.45 De sleutel tot het begrijpen van de Indische ziel lag volgens Elout in de nauwe relatie tussen de Indonesiërs en de natuur die hen omringde, ‘de oergrond’ van waaruit hun culturen waren gegroeid. Hij merkte daarbij op dat de archipel veel verschillende landschapstypen kende en dus dat er ook veel culturele verschillen waren tussen de volkeren.46 Met deze denkbeelden sloot Elout aan bij veel auteurs uit zijn tijd die op eenzelfde manier schreven over de ‘mystieke’ band tussen land en volkeren in de Indonesische archipel.47

Elout zette zich echter ook af tegen enkele ‘misvattingen’ over de oosterse volksaard, die volgens hem diep geworteld waren bij veel Europeanen in zijn tijd. Zij zagen de passiviteit van bepaalde groepen Indonesiërs, vooral op Java, als een vorm van ‘luiheid’ iets dat Elout verwierp als een ‘legende’, die was gebaseerd op verkeerde observaties. Hij verwees daarbij naar de Javaanse arbeiders die de meest onherbergzame delen van dat eiland in cultivatie hadden gebracht. Veel westerlingen meenden dat het tempo van deze arbeid te laag lag, maar Elout vond dat zij zich hierbij, geobsedeerd door materialisme, lieten verblinden door ‘efficiency’, de ‘afgod’ van de westerse samenleving van zijn tijd. Javanen werkten op hun eigen ‘eeuwenoude tempo’, dat beantwoorde aan hun eigen behoeftes, onderworpen als ze waren aan ‘het Leven evenals aan Natuur en Eeuwigheid’.48

Wat betreft de onderdanige natuur van de oosterse volken had Elout, bij tijd en wijle, zelfs uitgesproken bewondering voor de Indonesiërs en hij vond dat veel van zijn landgenoten een lesje konden leren wat betreft respect voor de autoriteiten. Hij merkte bijvoorbeeld op dat feestdagen op een ordelijke manier verliepen, zoals het Tsjap-Gomé-feest in Batavia, dat duizenden mensen op de been bracht.

Geen gejoel, geen gehos, geen getwist, geen gebral, geen dronkenschap, geen lawaai zelfs. Alles, die hele wandelende stad van duizenden, was volmaakt in orde, gedroeg zich, zonder eenig politievertoon, als een massale gentleman. (…) En stel u dan eens een Amsterdamschen Hartjesdag voor. Wat hebben wij, aan die inlanders, op ’t stuk van beschaving dan te leeren?49

Met deze passages wilde Elout laten zien dat er verschillen waren tussen West en Oost, maar dat Nederlanders niet inherent superieur waren aan de Indonesiërs. Hij vond dat dit inzicht het fundament zou moeten zijn van het koloniale regime.

Het wezen van de Indiër, dat anders dan het onze is, moet ons wel anders blijven – maar niet minder. Wij hebben het te eerbiedigen in zijn eigenheid (niet òm te buigen naar onszelven), in zijn machtsvereering maar ook in zijn eigen levenstempo en zijn eigen levensdoel.50

In een brief waarin Elout ‘eenige ervaringen’ deelde over de omgang met Indonesische ‘hotelbedienden’ gaf hij aan dat hij deze wijsheden ook in praktijk probeerde te brengen in zijn dagelijkse omgang met oosterlingen. Hij bekritiseerde de ‘vele Europeanen (…) die op hen neerkijken als op schepsels van een mindere soort’ en betoogde dat hij betere service kreeg omdat hij ze beter behandelde. Daarbij keek hij uit dat hij ook weer niet te ‘lief’ tegen hen deed of ‘bij hen in het gevlei’ probeerde te komen. Hij trachtte ze gewoon te benaderen ‘met zin voor hun mentaliteit’. Elout gaf echter wel aan dat zijn mogelijkheden hiertoe beperkt waren aangezien hij niet meer dan vijftig woorden Maleis sprak.51 Op basis van deze ontboezeming moeten we ons dan ook afvragen in hoeverre Elout zijn vrome respect-betuigingen aan de Indonesische volkeren kon waarmaken aangezien het te betwijfelen is of hij écht contact met hen heeft weten te leggen.

Tekenend voor deze blinde vlek is dat in het hele 238-pagina’s tellende reisverslag van Elout slechts één Indonesiër serieus aan het woord komt, Raden A.A. Wiranata Kusumo, een hooggeschoold Javaans edelman die lid was van de Volksraad. Elout beschreef een ontmoeting met deze man in een brief over de varianten van het Indonesisch nationalisme (’Indische stroomingen’, zoals hij het eufemistisch noemde) die als postscriptum van zijn serie verscheen in Algemeen handelsblad, alsof hij zich bewust was van het feit dat hij in de rest van zijn reisbrieven opvallend weinig aandacht besteedde aan dit actuele onderwerp.52 Een ander voorbeeld waaruit blijkt dat Elout niet echt heeft weten door te dringen tot de ‘ziel van Indië’ is te vinden in het voorwoord, die wordt gesierd door een foto van de auto waarin Elout rondreisde samen met de ‘Maleischen chauffeur Saimoen’ die men naam genoemd wordt in het onderschrift. Dit sympathieke gebaar tegenover de man die Elout letterlijk de weg heeft gewezen in Indië werd echter op de volgende pagina tenietgedaan in een voetnoot: ‘Ik reisde overigens, behalve op Celebes, alléén, d.w.z. zonder eenigen “mentor”.’53 Met deze opmerking gaf Elout aan dat hij zelf de touwtjes in handen had tijdens zijn reis, de handelingsbekwaamheid van Saimoen, die zeer mogelijk ook als tolk heeft moeten optreden, werd hiermee als niet relevant afgedaan.

Figure. 1

Afbeelding 1. Uit: Elout, Indisch dagboek, 4.

Ook deze beeldvorming is terug te voeren op Elouts opvattingen over de passieve aard van Indonesiërs. Door de nauwe band met hun directe natuurlijke omgeving was het hen, op een enkele uitzondering na, onmogelijk om als individu te handelen. Eén van de meest krachtige symbolen van de ‘ziel van Indië’ vond Elout dan ook de vulkaan, ‘met zijn traag rookenden kegel, waaruit plotseling vuur kan barsten.’54 De implicatie van deze analogie was dat mensen die zich in dit landschap bevonden, ondanks hun rustige voorkomen, plotsklaps tot uitbarsting komen, net als een natuurramp.55 Met dit soort gedachten in het hoofd schreef Elout een uitgebreide brief over een bezoek aan Atjeh, een gebied waar het Nederlandse koloniale leger tussen 1870 en 1904 een reeks guerrilla-oorlogen uitvocht tegen lokale islamitische vorsten. Aan de ene kant betoonde Elout respect aan de Atjehers, die hij beschreef als dappere strijders die veel offers hadden gebracht.56 Maar hij vond de bloedige acties van de Nederlanders geoorloofd omdat zij rust en orde hadden gebracht naar deze regio, waar tot dan toe ‘rovers’ en ‘piraten’ de dienst uitmaakten. Ondanks de ogenschijnlijke veiligheid die hij ervoer, merkte Elout ook op dat de onderliggende spanning niet weg was: ‘het oude haatvuur smeult nog wel.’57 Hij meldde dan ook goedkeurend dat er nog steeds een groot garnizoen van het koloniale leger aanwezig was om een oogje in het zeil te houden.

Met deze bespiegelingen komen we bij de kern van Elouts opvattingen over het koloniale regime in Nederlands-Indië dat hij au fond zag als goed en onmisbaar. Hij sprak in dat opzicht dan ook van ‘Groot-Nederland’, een term die voor hem, in deze context, een dubbele lading droeg. Ten eerste drukte het de territoriale band uit tussen Nederland en de overzeese gebiedsdelen in de Oost, die hij, net als andere opiniemakers in die tijd verbeeldde met een kaart van Europa waaroverheen de Indonesische archipel was geprojecteerd.58 Ten tweede sprak Elout van ‘Groot-Nederland’ in overdrachtelijke zin, want hij was trots op de prestaties van zijn landgenoten in Indië.59 Elout stak met name de loftrompet over de infrastructuur die de Nederlanders hadden weten op te bouwen (voornamelijk in de vorm van autowegen en scheepsroutes) die werkte als ‘cement in den inlandschen samenleving.’ Dit had de orde en veiligheid in de archipel verbeterd, wat een zaak van algemeen belang was. Andere belangrijke resultaten waren behaald in het opzetten van de gezondheidszorg. Elout stelde dan ook: ‘materieel is ons bestuur den inlander stellig ten zegen geworden.’60

Figure. 2

Afbeelding 2. Uit: Elout, Indisch dagboek, 230.

Over de geestelijke ontwikkeling van de Indonesiërs door Nederlanders was Elout minder eenduidig. Hoewel hij onderwijs als een belangrijk onderdeel van de koloniale beschavingsmissie zag, noteerde hij ook nadelen. Ten eerste verzette hij zich tegen de gedachte dat Indonesiërs westerse waarden zouden moeten overnemen. Hij vond dan ook dat sommige Europeanen, met name Christelijke zendelingen, te ver gingen in hun pogingen oude gewoonten te vervangen met hun eigen normen en waarden. Hierdoor werden de oude respectabele culturen van de archipel afgebroken en vervangen met ‘“beschavings”-bric-à-brac’.61 Een ander gevaar dat Elout signaleerde was dat het onderwijs dat in het kader van de ‘ethische politiek’ was ontwikkeld op Java soms averechts effect had. Indonesische leerlingen voelden zich namelijk ‘te goed’ voor ‘handenarbeid’ en ambieerden allemaal een administratief ‘baantje’, die echter te schaars waren om aan die vraag te voldoen. Op deze manier, meende Elout, ‘kweekt men nuttelooze “geleerdheid”…. en ontevredenheid.’62

Al met al hadden het Nederlandse koloniaal bestuur in Indië volgens Elout een belangrijke taak uit te oefenen, iets dat niet vanzelfsprekend was. Hij bepleitte dan ook een juiste balans in het beleid ten opzichte van ‘het nationale ontwaken’ van de Indonesiërs. Aan de ene kant moest dat gebaseerd zijn op ‘eerbied’ voor de oosterse culturen, maar aan de andere diende men ‘onverbiddelijk hard, met ijzeren hand – neen met twee ijzeren vuisten’ op te treden tegen ‘alle opruiers (…) die de volken van Indië willen aanzetten tot dat waarvoor ze nog lange phasen van ontwikkeling moeten doorlopen.’63 Fundamentele gedachte van Elout hierbij was dat het proces van emancipatie iets nastrevenwaardigs was, maar dat het zicht moest voltreken ‘pelahan-pelahan (…). Heel langzaam-aan. In een Indisch tempo.’64 Groot-Nederland, met andere woorden, was volgens Elout hard nodig en zou dat ook voor afzienbare tijd blijven. Sterker nog, gezien de geostrategische positie van de archipel schreef hij: ‘een zekere Nederlandsche “suzereiniteit” zal (….) wel altijd noodig blijven.’65

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, om een ‘furieus individualist’ als Elout in een politiek kamp te plaatsen en dit gaat ook op wat betreft zijn visies over de koloniale toekomst van Nederlands-Indië. Toch neigden zijn bespiegelingen over ‘Groot-Nederland’ in Indisch dagboek naar het kamp van de rijkseenheid. Hoewel hij sympathiseerde met het ‘ethische’ uitgangspunt dat het einddoel van het koloniale regime de emancipatie van de Indonesiërs moest zijn, was hij tegen een snelle verwezenlijking van dit ideaal dat alleen maar tot sociale onrust zou leiden – en dat moest ten koste van alles worden voorkomen. Aan het fundament van deze politieke visie lag het contrast dat Elout aanbracht tussen het ‘passieve Oosten’ en het ‘dynamische Westen’ – een wijd verspreid stereotype in Nederland destijds. Hoewel hij uitgebreid duidelijk maakte dat hij aan deze verschillen geen waardeoordeel koppelde, is deze dichotomie van groot belang omdat het impliceert dat het gros van de Indonesiërs handelingsonbekwaam was aangezien zij werden beheerst door de mystieke krachten van de natuur die hen omringde. Een ander gevolg is dat Elout zich vooral interesseerde in de handelingen van westerse actoren in Indië – zij waren het immers die het verschil maakten, in positieve of negatieve zin. Het wordt nu tijd om te kijken welke consequenties deze gedachten over de ‘ziel van Indië’ hadden op Elouts werk in de jaren die volgden.

De ‘Indische realiteit’, volgens Elout

Indisch dagboek werd over het algemeen positief onthaald in de pers, zowel in Nederland als in Nederlands-Indië. Verschillende recensenten stelden dat Elout geslaagd was in zijn voornemen het Nederlandse publiek meer te interesseren in koloniale zaken. Een van de factoren die daarbij genoemd werd, was de aantrekkelijke vormgeving van de bundel, die rijk geïllustreerd was.66 Wat betreft de kwaliteit van de geschreven tekst waren er ook veel complimenten voor Elout, met name wat betreft zijn ‘toeristische indrukken’, die met een scherp oog en dito pen waren opgeschreven. Zo werd Elouts loftuiting op een laboratorium van de suikerindustrie op Java met instemming aangehaald in een artikel over deze instelling in het gezaghebbende tijdschrift De Indische gids.67 Dit toont aan dat Elout zich met zijn reisverslag een reputatie vestigde als autoriteit over koloniaal nieuws.

Er was echter ook kritiek op elementen uit Indisch dagboek, en die kwam vooral uit de hoek van teruggekeerde Indiëgangers in Nederland. A.J. Lievegoed, oud-hoofdredacteur van het in Semarang gevestigde De locomotief en sinds 1925 in dienst van De nieuwe Rotterdamsche courant als koloniaal redacteur, schreef een lange bespreking van Elouts reisverslag. Ondanks zijn positieve eindoordeel, merkte hij wel op dat een rondreis van vier maanden te kort was voor een ‘journalistieke exploratie’ van Indië, waardoor veel van de observaties door toeval tot stand gekomen waren en dus nogal arbitrair. Van uitgebreide hoor- en wederhoor was immers geen sprake geweest.68 Een maand later verscheen er in Algemeen handelsblad een tweedelige bijdrage waarin het werk van de hoefijzercorrespondent uitgebreid werd ontleed door een auteur die ondertekende met ‘K– a’. Na een onomwonden positieve beoordeling in het eerste deel, waarbij de nadruk lag op de ‘toeristische’ hoofdstukken, werden er in het tweede deel enkele kritische noten gekraakt over Elouts bespiegelingen op de relatie tussen het Westen en het Oosten. De auteur vond dat Elout zich te ‘pessimistisch’ uitliet over het westerse materialisme dat de culturen van Indië bedreigde. De recensent had liever gezien dat Elout meer nadruk had gelegd op de manier waarop Nederlanders ‘cultuurbrengers’ waren geweest om zo het ‘zelfvertrouwen’ van het koloniale regime op te krikken.69

Het reisverslag van Elout bracht niet alleen de pennen van recensenten in beweging, ook de Nederlandse Journalisten Kring zette koloniale verslaggeving op de agenda met als doel de kwaliteit van deze nieuwscategorie te verhogen. In oktober 1926 werd er een speciale bijeenkomst georganiseerd, waarbij Elout zelf ook aanwezig was. Twee vooraanstaande ‘koloniale’ redacteuren kwamen aan het woord: Lievegoed en Jan Feith. Die laatste was op dat moment als Haags correspondent verbonden aan de op Java gevestigde Indische post, waarvan hij eerder hoofdredacteur was geweest.70 Beiden heren, die in hun carrière tussen centrum en periferie hadden gependeld, braken een lans voor nauwere betrekkingen tussen de persorganen in Nederland en Indië. Zij signaleerden vooral een probleem in Nederland, waar het slecht gesteld was met de kennis over koloniale zaken en waar een negatief beeld bestond over de Indische geschreven pers. Hoewel zij niet ontkenden dat de gepeperde stijl in de koloniale kranten problematische kanten kende (zij waren allebei zelf mikpunt geweest van felle polemisten) wezen zij ook op de overeenkomsten die uitgangspunt zouden kunnen bieden voor meer samenwerking. Feith betoogde dat het hierbij van groot belang was dat meer Nederlandse journalisten op studiereis gingen naar Indië, iets dat volgens hem te weinig gebeurde. Hij prees daarom Elouts reis en hoopte dat dit een voorbeeld zou zijn voor jongere collega’s.71

Naast het feit dat Elouts reis de koloniale verslaggeving hoger op de journalistieke agenda zette, heeft het ook zijn eigen werk diep beïnvloed. Al tijdens zijn eerste reis beschouwde hij zijn ontmoetingen in Indië als ‘grondslag voor mijn later te vormen eigen meeningen.’72 Na zijn terugkeer schreef Elout steeds vaker over koloniale kwesties en niet alleen als ze in het Nederlandse parlement werden besproken. Hij besprak nieuws uit Nederlands-Indië in de onregelmatig verschijnende rubriek ‘Ons Indië’. In die commentaren klonken de bespiegelingen uit het Indisch dagboek duidelijk door, met name in het hameren op het belang van tucht en orde in de koloniale samenleving. In november 1926 en januari 1927 leek die orde sterk onder druk te staan toen op verschillende plekken in Java en Sumatra radicale communisten gecoördineerde aanvallen uitvoerden op politieposten en telefooncentrales. Hoewel ze snel en bruut waren onderdrukt, wekten deze onlusten veel beroering in Nederlands-Indië en waren ook nieuws in Europa.73 In november 1926 reageerde Elout heftig op de gebeurtenissen onder de kop ‘Het complot van Bantam’, waarin hij stelde dat het Nederlandse gezag in Indië een ‘deuk major’ had opgelopen. In felle bewoordingen veroordeelde hij de lakse houding van de koloniale autoriteiten die, volgens een vertrouwelijke brief die hij had ontvangen, in de voorgaande maanden diverse signalen hadden genegeerd dat er onrust broeide in Bantam, de landstreek waar de meeste aanvallen hadden plaatsgevonden.74

De negatieve gevoelens die de communistische onlusten van 1926 opriepen, lijken een blijvende invloed te hebben gehad op Elouts geschriften over Nederlands-Indië, en hij bewoog steeds meer in de richting van de ‘rijkseenheidsgedachte’. Dit is duidelijk te zien in de brieven die hij schreef tijdens de tweede reis die hij naar Indië ondernam tussen februari en augustus 1929. Ook in deze serie van 34 brieven beschreef hij voornamelijk zijn indrukken van de eilanden die hij bezocht. Hoofddoel van deze reis waren de Molukken, in koloniale tijd ook bekend als de ‘Groote Oost’, wat meteen ook de titel werd van dit journalistieke project. Elout deed onderweg verschillende andere eilanden aan, zoals Java, Borneo, Celebes en Flores. Op de heen- en terugweg bezocht hij bovendien de Deli-regio op Oost-Sumatra, een belangrijk centrum van de koloniale plantage-economie (met name voor tabak en rubber), die Elout ook op zijn eerste reis had bezocht en toen bejubelde als ‘een heroïsch, een homerisch land. Waarlijk Groot-Nederland.’75 Het was niet alleen Elouts fascinatie die hem weer naar die plek trok, er vonden in 1929 ook nieuwswaardige gebeurtenissen plaats die Elout wilde verslaan.

Om deze reportages te kunnen duiden is het belangrijk om eerst te kijken naar Elouts bespiegelingen op de verhoudingen tussen het Westen en het Oosten, waaraan hij ook in dit reisverslag enkele thematische brieven wijdde. Hoewel Elout zich op verschillende plekken in De groote Oost positief uitliet over de inheemse culturen van de Indonesische archipel en de vriendelijke mensen die hij tegenkwam, was zijn eindconclusie over de ‘inlanders’ minder optimistisch dan in Indisch dagboek, waar hij nog enige sympathie uitte voor het streven deze mensen te emanciperen. In 1929 beschreef hij de Indonesiërs als ‘grote kinderen’, die ‘niet (…) in de war [gebracht zouden moeten worden] door onderwijs waarvoor ze nog niet rijp zijn.’76 Aan het fundament van deze houding lag Elouts angst dat de door de Sovjet-Unie gesponsorde communistische beweging de inheemse bevolking van Nederlands-Indië zou aanzetten tot revolutie. Elout herhaalde hier zijn eerdere observatie dat westers onderwijs niet geschikt was voor het gros van de Indonesiërs. De meeste leerlingen van de nieuw opgerichte Hollandsch Indische School konden geen baan vinden en raakten gefrustreerd waardoor het gevaar ontstond dat ze hun minder ontwikkelde landgenoten zouden ophitsen tegen het koloniale gezag. ‘Welk een kweekschool voor Moskou!’, schamperde Elout dan ook over deze onderwijsinstelling.77

Deze bespiegelingen bevestigen eens te meer dat in Elouts ogen alleen de handelingen van westerlingen sociale verandering konden brengen in de Indonesische archipel. Die handelingsbekwaamheid bracht verantwoordelijkheid met zich mee, omdat verkeerde beslissingen, zoals het instellen van westers onderwijs, konden leiden tot onrust onder de inheemse bevolking. In dat licht liet Elout in 1929 zich kritisch uit over de koloniale bestuurlijke elites in Batavia, veel meer dan hij in 1925 had gedaan. Door hun toedoen was het westerse onderwijs gegroeid, wat volgens Elout paste in een bestuurscultuur ‘met haar uitbundige, demonstratieve voorliefde voor den Inlander boven den Europeaan en met haar dorre theoretische inactiviteit tegen over het “nationalistische” (…) gestook.’ Los van de sociale onrust die dit veroorzaakte, leidde dit ook tot ‘verbittering’ onder de gemeenschap van Nederlandse koloniale expats, die bekend stonden als ‘totoks’. Elout had sympathie voor hun gevoelens, ‘daar zij, die toch immers de bouwers zijn van het tegenwoordige Indië, terecht zich onmisbaar gevoelen als leidende factor.’ Het meest ‘tragische’ van hun positie was volgens Elout dat, hoewel zij zich in toenemende mate op Nederland oriënteerden, hun stem werd genegeerd ‘door politici in het moederland, die de Indische realiteit niet kennen (of niet willen kennen).’78

Elout werd met deze problematiek geconfronteerd in Deli, waar de ‘Indische realiteit’ volgens hem heftig dissoneerde met de ‘bestuurlijke theorie’. Op dat ogenblik waren er twee actuele zaken die het nieuws haalden en ook in de politiek stof deden opwaaien. Ten eerste was speelde de kwestie over de ‘poenale sanctie’, een regeling die de planters op Sumatra in staat stelden om, zonder tussenkomst van de gerechtelijke macht, sancties op te leggen aan hun contractarbeiders (of ‘koelies’) die zij voornamelijk rekruteerden op Java. Vanaf het begin van de twintigste eeuw bekritiseerden beleidsmakers die zich lieerden aan de ‘ethische politiek’ dit systeem dat leidde tot mishandeling van arbeiders door de planters.79 In de jaren 1920 kreeg de discussie over de afschaffing van de poenale sanctie meer politieke urgentie omdat de Volkenbond een kritisch rapport publiceerde over arbeidsverhoudingen op de Sumatraanse plantages.80 Elout wijdde twee brieven aan deze problematiek en belichtte daarin veel aspecten van de arbeidsomstandigheden op de plantages. Hoewel hij de planters op sommige aspecten bekritiseerde, vond hij dat de poenale sanctie voorlopig onontbeerlijk omdat dit de enige manier was om de Indonesische ‘koelies’ te binden aan hun werkplek. Elout schaarde zich daarmee achter de visie van de planters, die hij uitgebreid had gesproken over hun dagelijkse ervaringen. De plannen voor afschaffing van de poenale sanctie, die door beleidsmakers in Batavia werden voorbereid, waren misschien van ‘principieel-idealistisch belang’, maar Elout wees op de ‘practische’ argumenten voor behoud van de regeling die volgens hem zwaarder wogen.81

Tijdens Elouts bezoeken aan Deli speelde ook een andere kwestie, namelijk het geweld van koelies tegen blanke ‘assistenten’ (leidinggevenden) op de plantages. Zowel op zijn heenreis (in februari) als op de terugreis (in juli) vonden er dodelijke incidenten plaats, die de hoefijzercorrespondent vermeldde in zijn reisverslagen. Met name het laatste incident, waarbij een Javaanse koelie de vrouw van de Nederlandse assistent Landzaat doodde met een mes, deed veel stof opwaaien onder de planters. Die emoties lijken ook van invloed te zijn geweest op Elout. In februari reproduceerde hij een overzicht van ‘aanvallen’ en ‘moorden’ vanaf 1912 uit de lokale krant De planter, waaruit bleek dat na een jarenlange afkalving, met als dieptepunt 1927, er een piek in het aantal geweldsincidenten was in 1928. In die eerste brief hechtte Elout daar nog niet veel consequenties aan en stelde dat ‘[z]oo heel veel schijnt er in de mentaliteit der koelies in de laatste twintig jaren dus toch niet te zijn veranderd.’82 Na de moord op mevrouw Landzaat stelde Elout, op basis van een nieuw gepubliceerd overzicht van de Permanente Arbeidscommissie waarin het aantal aanvallen gerelateerd werd aan het aantal koelies, dat er weldegelijk sprake was van een ‘verhoogde virulentie in de aanslagen’, die hij verklaarde door ‘een meer aggressieven geest onder de koelies’. In gesprekken met planters kwam naar voren dat deze agressie het gevolg was communistische agitatie die sinds 1925 veel onderontwikkelde koelies had weten te mobiliseren en die tot de onlusten van 1926–1927 hadden geleid. Elout stelde daarom dat het mogelijk was dat ‘mevrouw Landzaat een slachtoffer [is] geworden van de nietsontziende methoden van Moskou.’83

Deze alarmerende signalen werden volgens Elout niet serieus genomen door koloniale gezagsdragers in Indië, zowel op lokaal als centraal niveau. Zij traden niet daadkrachtig op tegen ‘de vergiftiging van Indië door communistische en nationalistische ophitsers (…). In de naam van de ”vrijheid van het woord”.’ Volgens Elout, echter, betekende deze frase ‘voor den Oosterling (…) de vrijheid van den moord.’84 Bovendien bekritiseerde Elout de koloniale bestuurselites omdat ze ook de totoks van zich vervreemden in deze kwestie, onder andere door openlijk hun dedain voor de planters te laten blijken. De wanhoop van de ‘Delianen’, die zich niet gehoord voelden, werd volgens Elout verwoord in een petitie, getekend door 150 vrouwen, waarin Koningin Wilhelmina werd verzocht in te grijpen. Hoewel hij aangaf dat de denkbeelden in dit document misschien niet helemaal realistisch waren, was het volgens hem toch het lezen waard (hij gaf de tekst integraal weer) omdat deze ‘noodkreet’ van ‘symptomatische beteekenis’ was voor de nijpende situatie in Oost-Sumatra.’85 Als remedie stelde hij voor dat de ‘theoretici der Kabinetten en Paleizen, maar eens één enkel jaar verlof te bezorgen, mèt vrouw en kinderen… op een afgelegen onderneming in ’t cultuurgebied ter Oostkust van Sumatra!’86

Besluit

Ook de analyse die Elout gaf van de plantage-moorden op Sumatra zijn terug te brengen op de fundamentele principes over de relatie tussen het Westen en het Oosten die hij in zijn eerdere reis uiteen had gezet. De koelies waren volgens hem niet echt verantwoordelijk voor hun daden, aangezien ze van nature ‘passief’ waren. Het geweld dat zij begingen was uiteindelijk terug te brengen tot het handelen van westerse elementen in de archipel. De gewelddadige koelies waren ‘opgehitst’ door agenten van een westerse ideologie, het communisme, die volgens Elout werden aangestuurd uit Moskou. De Nederlandse koloniale bestuurders droegen, in de ogen van Elout, ook verantwoordelijkheid voor de situatie in Deli doordat zij niet hard genoeg optraden tegen de opstandige elementen. Uiteindelijk waren het de ‘Delianen’ die aandacht vroegen voor de situatie in hun regio, doormiddel van hun ‘noodkreet’ aan Wilhelmina. Elout steunde die petitie van harte om zo politici in Nederland en de koloniale bestuurders in Batavia te bewegen tot daadkrachtig optreden om de orde te herstellen.

Met deze reportage mengde Elout zich actief in het maatschappelijke debat over de koloniale verhoudingen in de Indonesische archipel. Het is daarom ook van groot belang dat zijn ‘krantenwerk’ in context gezien wordt van het spanningsveld tussen ‘ethische politiek’ en ‘rijkseenheid’. Hoewel het onmogelijk is om een ‘furieus individualist’ als Elout in een hokje te plaatsen, neigde hij vanaf het begin van zijn Indische carrière naar de rijkseenheidsgedachte. Hij betoonde sympathie voor het emancipatiestreven onder de Indonesische bevolking, maar vond dat alleen de Nederlandse autoriteiten zorg konden dragen voor de maatschappelijke orde. In de loop der jaren schoof Elout steeds meer op naar rechts in dit opzicht en hij liet zich hard uit over de onlusten die zich voordeden in de archipel, die volgens hem het gevolg waren van communistische propaganda en slap optreden van de koloniale autoriteiten. Deze trend zette zich voort in het begin van de jaren 1930, toen Elout zich actief mengde in het debat over de muiterij op de Zeven Provinciën (februari 1933), in zijn ogen een ‘schandaal’ dat een dieptepunt vormde in de geschiedenis van Nederland. Terugkijkend in 1938 roemde hij het harde optreden van de antirevolutionaire voorman Hendrik Colijn, tevens prominent figuur in de rijkseenheidsbeweging, als dat van een leider die in staat was om orde op zaken te stellen, in Nederland en in Indië.87

Ten grondslag aan Elouts visies op de koloniale kwestie lagen zijn bespiegelingen over de verhoudingen tussen West en Oost die hij in zijn reisbrieven uit 1924 opschreef. Hoewel hij expliciet vermeldde dat hij westerse beschaving niet inherent superieur zag aan de oosterse, integendeel, zag hij toch een dichotomie waarin het Westen stond voor dynamiek en het Oosten voor passiviteit. Gevolg van deze metafysische bespiegeling was dat hij beschreef dat Indonesiërs niet in staat waren tot individuele handelingen, omdat al hun acties werden opgeroepen door de handelingen van westerse actoren. Deze dienden zich, volgens Elout, dat ook op juiste wijze te gedragen omdat hun acties niet alleen tot positieve reacties kon leiden, maar ook tot negatieve. De redactionele les die tijdgenoten zouden hebben kunnen trekken uit dit journalistiek oriëntalisme is dat nieuws uit Indië altijd gerapporteerd zou moeten worden uit het perspectief van de westerse actoren, aangezien zij alleen invloed konden uitoefenen op hun omgeving. Meer onderzoek naar de berichtgeving over koloniale kwesties in Nederlandse kranten zou meer licht kunnen werpen op deze hypothese.

Een ander aspect dat dit artikel op de onderzoeksagenda probeert te zetten, is de journalistieke impact van de veranderingen in de communicatie-infrastructuur tussen Nederland en Nederland-Indië die plaatsvonden in het interbellum als gevolg van de technologische innovaties die toen plaatsvonden. Met name radio-technologie speelde voor kranten een cruciale rol omdat meer nieuws sneller en regelmatiger beschikbaar werd door middel van radiotelegrafie en later -telefonie. Er zijn aanwijzingen dat deze kwantitatieve groei in data tot significant ander redactioneel beleid heeft geleid en dat als gevolg de koloniale verslaggeving een prominente plaats kreeg in het journalistieke bedrijf in Nederland tijdens de jaren 1920 en 1930. Ondanks bedenkingen over de groeiende invloed van persagentschappen, zoals ANETA, vond Elout dat kranten de taak hadden om het publiek in Nederland op de hoogte te houden van het nieuws in de Indonesische archipel om zo de banden tussen de delen van het overzeese rijk te versterken. Dit doel beoogde Elout te bevorderen met de publicatie van zijn Indische reisbrieven die daarmee een interessant startpunt zijn voor meer onderzoek naar het journalistiek oriëntalisme van zijn tijd.

Noten



1.     F. Harbers, Between Personal Experience and Detached Information. The Development of Reporting and the Reportage in Great Britain, the Netherlands and France, 1880–2005 (Proefschrift, Rijksuniversiteit Groningen 2014), 183.

2.     C.K. Elout, Indisch dagboek (Sandpoort: Mees, 1926), 230.

3.     H. Wijfjes, Journalistiek in Nederland 1850–2000. Beroep, cultuur en organisatie (Amsterdam: Boom, 2004), 79–80.

4.     Ibidem, 64–65; Harbers, Between Personal Experience, 182–184.

5.     Het monumentale werk van Gerard Termorshuizen over Nederlandstalige kranten in Nederlands-Indië bevat een schat aan biografische gegevens: Journalisten en Heethoofden: Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse dagbladpers, 1744–1905 (Amsterdam/Leiden: Nijgh en van Ditmar/KITLV, 2001); Realisten en reactionairen: Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse dagbladpers, 1905–1942 (Amsterdam/Leiden: Nijgh en van Ditmar/KITLV, 2011). Termorshuizen heeft ook biografieën geschreven van vooraanstaande journalisten die zich bewogen tussen Nederland en Nederlands-Indië: P.A. Daum: journalist en romancier van tempo doeloe (Amsterdam: Nijgh en van Ditmar, 1988); Een humaan koloniaal: leven en werk van Herman Salomonson alias Melis Stoke (Amsterdam: Nijgh en van Ditmar, 2015). In zijn boek over de Nederlandse pers besteedt ook Piet Hagen aandacht aan ‘Indiëgangers’: Journalisten in Nederland: een persgeschiedenis in portretten 1850–2000 (Amsterdam: De Arbeiderspers, 2002), met name 96–110.

6.     Een selectie Indische kranten is digitaal raadpleegbaar via www.delpher.nl en De Indische gids via dbnl.nl. Vanuit Nederland leverde Elout een actieve bijdrage aan deze informatie-uitwisseling als medewerker van De Locomotief in Semarang waarvoor hij decennialang politieke beschouwingen schreef. Termorshuizen, Realisten en reactionairen, 399 en 426.

7.     Foray schreef een boek over de manier waarop de pers in Nederland schreef over Indië tijdens de nazi-bezetting, maar meldt daarin weinig over de informatienetwerken tussen Nederland en Indië, die tijdens de Tweede Wereldoorlog geheel en al stil kwamen te liggen. J. Foray, Visions of Empire in the Nazi-Occupied Netherlands (Cambridge: Cambridge University Press, 2012). Het proefschrift van Bijl over de publicatie van beeldmateriaal uit de Atjeh-oorlogen in de Nederlandse twintigste-eeuwse media raakt ook aan dit onderwerp, maar biedt geen reflectie op de manier waarop de geschreven pers in Nederland in het algemeen berichtte over Nederlands-Indië. P. Bijl, Emerging Memories. Photographs of Colonial Atrocity in Dutch Cultural Remembrance (Amsterdam: Amsterdam University Press, 2015).

8.     Termorshuizen, Realisten en reactionairen, 7.

9.     J. de Jong, “Punchy Papers. Changes in Form and Style in the Dutch Language Press in the Dutch East Indies in Comparison with Dutch Journalism in the Netherlands, 1856–1906,” in: Form and Style in Journalism. European Newspapers and the Representation of News 1880–2005, red. M. Broersma (Leuven: Peeters, 2007), 113.

10.     Elout stelde dit vast in: Indisch dagboek, 185.

11.     U. Bosma, “Kritiek en populisme”, in: U. Bosma et al. red., Journalistiek in de tropen. De Indisch en Indonesisch-Nederlandse pers, 1850–1958 (Amsterdam: Aksant, 2005), 47–66.

12.     F. van Vree, De Nederlandse pers en Duitsland 1930–1939 (Groningen: Historische Uitgeverij, 1989), 35. Een vergelijkbare kanttekening is te vinden in het proefschrift van Huub Wijfjes over de Nederlandse radio-censuur. H. Wijfjes, Radio onder restrictie. Overheidsbemoeienis met radioprogramma’s 1919–1931 (Amsterdam: IISG, 1988), 3–4.

13.     M. Maters, Van zachte wenk tot harde hand. Persvrijheid en persbreidel in Nederlands-Indië 1906–1942 (Hilversum: Verloren, 1998), 284–285.

14.     Zie bijvoorbeeld: F. Cooper en A.L. Stoler, “Between Metropole and Periphery: Rethinking a Research Agenda,” in: Tensions of Empire. Colonial Cultures in a Bourgeois World, red. F. Cooper en A.L. Stoler (Berkeley: University of California Press, 1997) , 1–56; A. Lester, “Imperial Circuits and Networks: Geographies of the British Empire,” History Compass 4 (2006): 124–141.

15.     S. Potter, News and the British World: The Emergence of an Imperial Press System (Oxford: Oxford University Press, 2003).

16.     Voor handzame overzichten van het debat in de Angelsaksische literatuur zie: A. Macfie, Orientalism: A Reader (Edinburgh/New York: Edinburgh University Press, 2000); Ibid., Orientalism (Londen: Longman, 2002).

17.     Voor algemene bespiegelingen zie: P. van der Veer, Modern oriëntalisme. Essays over de westerse beschavingsdrang (Amsterdam: Meulenhoff, 1995); S. Legêne, De bagage van Blomhoff en Van Breugel. Japan, Java, Tripoli en Suriname in de negentiende-eeuwse Nederlandse cultuur van het imperialisme (Amsterdam: KIT1998). Voor wetenschap zie: M. Kuitenbrouwer, Tussen oriëntalisme en wetenschap. Het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in historisch verband, 1851–2001 (Leiden: KITLV 2001); F. Sysling, De onmeetbare mens. Schedels, ras en wetenschap in Nederlands-Indië (Nijmegen: Vantilt, 2015). Voor wereldtentoonstellingen zie bijvoorbeeld: M. Bloembergen, De koloniale vertoning. Nederland en Indië op de wereldtentoonstellingen (1880–1931) (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2002).

18.     A. Stoler, Along the Archival Grain: Epistemic Anxieties and Colonial Common Sense (Princeton: Princeton University Press, 2009).

19.     K. van Dijk, The Netherlands Indies and the Great War, 1914–1918 (Leiden: KITLV, 2007), 353–380.

20.     Ibid., 13.

21.     Ibid., hoofdstuk xvii.

22.     B. de Graaff en E. Locher-Scholten, J.P. Graaf van Limburg-Stirum. Tegendraads landvoogd en diplomaat, 1873–1948 (Zwolle: Waanders, 2007), 215.

23.     Voor de belangrijkste studie van de ‘ethische politiek’ zie: E.B. Locher-Scholten, Ethiek in fragmenten. Vijf studies over koloniaal denken en doen van Nederlanders in de Indonesische archipel 1877–1942 (Utrecht: HeS Publishers, 1981).

24.     P.J. Drooglever, De Vaderlandse Club 1929–1942. Totoks en de Indische politiek (Franeker: Wever, 1980); Termorshuizen, Realisten en reactionairen, 8–9. Locher-Scholten heeft betoogd dat deze polarisatie niet absoluut was. Volgens haar trokken deze twee stromingen meer naar elkaar toe na 1935 en zij spreekt dan ook van ‘een conservatieve ethische politiek’ vanaf 1920. Locher-Scholten, Ethiek in fragmenten, 203.

25.     A. Taselaar, De koloniale lobby. Ondernemers en de Indische politiek 1914–1940 (Leiden: CNWS Publications, 1998).

26.     V. Kuitenbrouwer, “Tropisch Nederland door de ogen van Charles Boissevain. Een verkenning van de koloniale verslaggeving rond 1900,” in: Deze lange eeuw. Metamorfosen van het vaderland, 1780–1950, red. F. Grijzenhout en P. Raedts (Amsterdam: Prometheus Bert Bakker, 2015), 189–204.

27.     V. Kuitenbrouwer, “Dr. Ir. C.J. de Groot. Radiopionier in de tropen,” in: Na de catastrofe. De Eerste Wereldoorlog en de zoektocht naar een nieuw Europa, red. F. Boterman, A. Labrie en W. Melching (Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2014), 255–266.

28.     J.M.H.J. Hemels, Van perschef tot overheidsvoorlichter. De grondslagen van overheidsvoorlichting (Alphen aan de Rijn: Samson, 1973), 18–22; V. Kuitenbrouwer, “Propaganda that Dare not Speak its Name. International Information Service about the Dutch East Indies, 1919–1934,” Media History 20, no. 3 (2014): 239–253, aldaar 245.

29.     L. Huizinga, “Hoe men er komt. Over zee,” in: Daar wèrd wat groots verricht. Nederlandsch-Indië in de xxste eeuw, red. W.H. van Helsdingen (Amsterdam: Elsevier, 1941), 12–21, aldaar 41; B.T.L. van der Linden, Nou… Tabé dan! De ‘bootreis’ naar Indië met de Rotterdamsche Lloyd en de ‘Nederland’ tussen 1899 en 1949 (Hilversum: Verloren, 2010), 85–89.

30.     N. Van Rijn, De gouden lijn. De luchtverbinding tussen Nederland en Nederlands-Indië (1919–1949) (MA scriptie Universiteit van Amsterdam, 2015).

31.     J. van Goor, “Indische reizen in de negentiende en twintigste eeuw. Van verkenning tot journalistiek toerisme,” Tijdschrift voor Geschiedenis 105, no. 4 (1992): 446–465, aldaar 448–449.

32.     L. Couperus, Oostwaarts (Den Haag: Leopold, 1924). De reisbrieven uit Japan verschenen in een aparte bundel. Ibid., Nippon (Den Haag: Leopold, 1925).

33.     Tot medio jaren 1920 was de oud-militair M.A. van Heekeren werkzaam bij het Algemeen handelsblad als documentalist voor koloniaal nieuws. Na zijn dood in 1928, beschreven zijn oud-collega’s hem als ‘een oud-soldaat met een gesloten karakter’ en noemden vooral zijn ‘soms verbazingwekkende bronnenkennis’. Deze typeringen duiden er niet op dat hij een sleutelpositie in de redactionele pikorde innam. Algemeen handelsblad, 30 juni 1928.

34.     Voor een overzicht van titels zie: Termorshuizen, Realisten en reactionairen, 135, en met name 287.

35.     Hagen, Journalisten in Nederland, 271.

36.     J.L. Heldring, “Elout, Cornelis Karel (1870–1947),” in Biografisch woordenboek van Nederland. URL:http://resources.huygens.knaw.nl/bwn/BWN/lemmata/bwn4/elout [25–11-2015].

37.     Voor een grondig overzicht van het maatschappelijk debat over deze kwestie zie: H.J.G. Beunders, Weg met de Vlootwet. De maritieme bewapeningspolitiek van het kabinet Ruys de Beerenbrouck en het succesvolle verzet daartegen in 1923 (Bergen: Octavo, 1984).

38.     C.K. Elout, Figuren en momenten uit de politiek van Koningin Wilhelmina’s tijd (Amsterdam: Algemeen Handelsblad, 1938), 92.

39.     Ibid., 97.

40.     Elout, Indisch dagboek, 20. Elout was niet bij de stemmingsronde aanwezig omdat hij naar Indië was afgereisd, maar de Indische Staatsregeling was al lange tijd onderwerp van veel discussie in politiek Den Haag. S. de Graaf, Parlementaire geschiedenis van de Wet op de Staatsinrichting van Nederlandsch-Indië, 1925 (Indische Staatsregeling) (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1938).

41.     Elout, Indisch dagboek, 6.

42.     Van Vree, De Nederlandse pers, 42–45; Harbers, Between Personal Experience, 182–183.

43.     Elout, Indisch dagboek, 6.

44.     Ibid., 5.

45.     Ibid., 193.

46.     Ibid., 192.

47.     Van Goor, ‘Indische reizen’, 461–464.

48.     Elout, Indisch dagboek, 193–194.

49.     Ibid., 220.

50.     Ibid., 198.

51.     Ibid., 180–181.

52.     Ibid., 223. In Indisch dagboek is deze brief voor de laatste reisbrief geplaatst.

53.     Ibid., 5. In de slotbrief noemt Elout Saimoen nogmaals en prijst hem daarin voor zijn vaardigheden als chauffeur. Ibid., 236.

54.     Ibid., 194.

55.     Ibid., 192.

56.     Ibid., 159.

57.     Ibid., 155.

58.     Ibid., 230.

59.     Ibid., 154; 234; 237.

60.     Ibid., 207–210.

61.     Ibid., 217. Overigens had Elout wel waardering voor het ‘sociale werk der zending’, met name de bijdrage aan de gezondheidszorg.

62.     Ibid., 212.

63.     Ibid., 235–236.

64.     Ibid., 237.

65.     Ibid., 228–229.

66.     Het vaderland, 7 juni 1926; Het Bataviaasch nieuwsblad, 4 september 1926.

67.     H.G.L.G.J. van der Mandere, “Het proefstation voor de Javasuikerindustrie, te Pasoeroean,” De Indische gids, 48, no. 1 (1926): 193.

68.     A.J. Lievegoed, “Een dagboek,” Nieuwe Rotterdamsche courant, 22 mei 1926.

69.     “Een journalistieke reis II,” Algemeen handelsblad, 19 juni 1926. Gezien de ondertekening kan het zijn dat deze recensie geschreven is door C.J. Kielstra, een prominent figuur in de rijkseenheidsbeweging die destijds als hoogleraar verbonden was aan de Rijks Landbouw-Hoogeschool Wageningen en aan de Indologen-faculteit aan de Universiteit Utrecht.

70.     Snel na deze bijeenkomst werd Feith aangesteld als hoofdredacteur van De kampioen. Lievegoed werd in 1934 de eerste directeur van de Regeeringspersdienst.

71.     De journalist no. 407 (november 1926): 57.

72.     Elout, Indisch dagboek, 21. Hij schreef deze woorden in een brief gedateerd op 12 februari 1925, die verscheen in het Algemeen handelsblad van 20 maart 1925.

73.     Voor een grondige reconstructie van de opstanden zie: R.T. McVey, The Rise of Indonesian Communism (Ithaca NY: Cornell University Press, 1965), hoofdstuk xii. Voor reacties van het koloniale regime in Nederlands-Indië zie: M. Bloembergen, Uit zorg en angst. De geschiedenis van de politie in Nederlands-Indië (Amsterdam/Leiden: Boom/KITLV, 2009) hoofdstuk 7. Voor internationale persreacties zie: J.J.V. Kuitenbrouwer, “Propaganda that Dare not Speak”, 246–249.

74.     ‘Het complot van Bantam’. Algemeen handelsblad, 15 november 1926.

75.     Elout, Indisch dagboek, 154.

76.     Elout, De Groote Oost (Den Haag: W.P. Van Stockum & Zoon, 1930), 227.

77.     Ibid., 223.

78.     Ibid., 242–243.

79.     Voor een overzicht van het debat rond 1900 zie: J. Breman, Koelies, planters en koloniale politiek. Het arbeidsregime op de grootlandbouwondernemingen aan Sumatra’s Oostkust in het begin van de twintigste eeuw (Dordrecht: Foris, 1987).

80.     Voor een overzicht van het debat in het interbellum zie: Taselaar, De Nederlandse koloniale lobby, hoofdstuk 6.

81.     Elout, De Groote Oost, 24.

82.     Ibid., 16–17.

83.     Ibid., 204–205.

84.     Ibid., 207.

85.     Ibid., 199–200.

86.     Ibid., 201.

87.     Elout, Figuren en momenten, 106–109.

Biografie

Vincent Kuitenbrouwer is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam als Universitair Docent Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen. Zijn huidige onderzoek richt zich op transnationale medianetwerken in de laat-koloniale periode en het tijdperk van dekolonisatie. Enkele publicaties van zijn hand zijn: “Propaganda that Dare not Speak its Name. International Information Services about the Dutch East Indies, 1919–1934,” Journal of Media History 20, no. 2 (2014): 239–253; “Beyond the ‘Trauma of Decolonization’. Dutch Cultural Diplomacy during the West New Guinea Question (1950–62),” Journal of Imperial and Commonwealth History 44, no. 2 (2016): 306–327.


Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.



Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.

ISSN: 2213-7653