Een onwrikbaar geloof in zijn gelijk. Sal Tas (1905–1976) Journalist van de wereld

Een onwrikbaar geloof in zijn gelijk. Sal Tas (1905–1976) Journalist van de wereld

Tity de Vries

Tity de Vries
Een onwrikbaar geloof in zijn gelijk. Sal Tas (1905–1976) Journalist van de wereld
Aspekt, 2015, 465 pp., ca. € 28,- isbn 9789461536792

Het leven van Sal Tas biedt allerlei aanknopingspunten voor boeiende geschiedschrijving: zijn propaganda ten behoeve van de socialistische revolutie, zijn engagement met het Indonesische nationalisme, zijn onderduik als Jood in de Tweede Wereldoorlog en zijn militante anticommunisme in de Koude Oorlog. In Een onwrikbaar geloof in zijn gelijk. Sal Tas (1905–1976) journalist van de wereld weeft Tity de Vries het levensverhaal van Tas dan ook kundig door de grote lijnen van de geschiedenis. Zij deed uitgebreid onderzoek in veel verschillende archieven – als Amerikanist kent zij de weg in buitenlandse archieven – en dat levert een veelzijdige biografie op.

Sal Tas was afkomstig uit een Joods arbeidersmilieu. Hij was intelligent en leergierig en wist naast een kantoorbaan zijn kandidaats Indisch Recht te behalen. Zijn doctoraal Indologie zou hij nooit afmaken, omdat hij meer dan een dagtaak kreeg aan zijn socialistisch activisme. Hij ageerde in de linkervleugel van de SDAP, die zich in 1932 afsplitste als de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP). Na een conflict over de inzet van geweld bij het Jordaanoproer trok hij zich samen met de iets oudere Jacques de Kadt terug uit de partij. De twee richtten het blad De nieuwe kern op in een poging het socialisme van een bredere cultureel-wetenschappelijke basis te voorzien.

Omdat Tas zich vóór de oorlog grotendeels onbezoldigd had ingezet voor het radicale socialisme, kreeg hij pas op zijn veertigste, toen hij na de bevrijding in dienst kwam bij Het parool, zijn eerste echte baan. In 1949 mocht hij voor die krant als correspondent naar Parijs. Twee jaar later bereikte hij de mooiste positie die er binnen de journalistiek te vergeven was en die slechts weinig kranten zich konden veroorloven: Tas werd reizend correspondent; hij reisde in vaste dienst van de krant over de hele wereld en deed vanuit steeds verschillende brandhaarden verslag.

Van Tas als redacteur van Het parool bestaat al een goed beeld sinds Mulder en Koedijk twintig jaar geleden hun boek over het naoorlogse parool publiceerden. De Vries heeft daar niet zoveel nieuws meer aan toe te voegen, want ook Tas’ rol in de schimmige wereld van door de CIA gefinancierde vakverenigingen en tijdschriften werd door hen al beschreven. Tas heeft zich nooit geschaamd voor zijn connecties met de CIA; hij was trots op zijn aandeel in de strijd tegen het internationale communisme. Daarbij werd hij gedreven door zijn eigen ervaring met die andere vorm van totalitarisme, het nazisme.

De Vries reflecteert nergens in deze biografie op het biografische genre en haar eigen onderzoeksmethode, noch maakt zij duidelijk in de inleiding op welke vragen de biografie antwoord moet gaan geven. Ook gaandeweg het betoog worden voor de hand liggende vragen niet gesteld. Hoe ontmoette Tas zijn eerste vrouw Maria Duchâteau, oftewel hoe kwam een jongen uit een Joods arbeidersmilieu aan een meisje uit de katholieke middenstand? Dat waren toch werelden apart in het verzuilde interbellum. Of: waarom nam Tas tijdens de oorlog niet deel aan het verzet? Waarom raakte hij bijvoorbeeld niet eerder betrokken bij Het parool? Zijn Joodse afkomst had een rol in de illegale pers niet in de weg hoeven staan. Onder de oprichters van Het parool waren maar liefst drie Joden: Maurits Kann, Hans Warendorf en Jaap Nunes Vaz. De laatste had vóór de oorlog samen met Tas in het bestuur gezeten van de Socialistische Arbeidersweer, de ordedienst van de OSP. De Vries vermeldt wel dat Tas aan het eind van de oorlog, in het voorjaar van 1944, betrokken raakte bij De nieuwe vrijheid - hij zat samen met Joop den Uyl en Geert van Oorschot in de redactie van dit illegale blad. Zij stelt in het hoofdstuk over de Tweede Wereldoorlog echter niet aan de orde waarom Tas met zijn strijdbare achtergrond niet een meer substantiële rol in de illegale pers heeft gespeeld. Dit wringt des te meer, omdat zij in het erop volgende hoofdstuk er wel melding van maakt dat Geert van Oorschot Tas uit de redactie van het tijdschrift De baanbreker weerde, omdat Van Oorschot er wellicht zwaar aan tilde dat Tas niet actief in het verzet was geweest.

Opvallend is dat De Vries bijna nergens in haar tekst expliciet verwijst naar historiografische discussies en naar andere (historische) werken, terwijl dit haar werk op verschillende punten relevanter zou hebben gemaakt. Te denken valt aan thema’s als de mythe van de kritische verslaggeving over de Vietnamoorlog, de beweging van de jaren zestig en de professionalisering van de journalistiek. De Vries beschrijft bijvoorbeeld meerdere gevallen waarin Tas op de vingers werd getikt door de hoofdredacteur van Het parool vanwege zijn opiniërende verslaggeving. De lezer kan hieruit opmaken dat bij Het parool de regel gold dat feiten en opinie gescheiden moesten worden. Maar of het uitzonderlijk was dat Tas deze regel aan zijn laars lapte, wordt pas duidelijk als zijn journalistieke werkwijze wordt bezien in het bredere verband van het streven naar objectiviteit binnen de beroepsgroep, waar pershistorici en mediawetenschappers zich uitgebreid mee bezig hebben gehouden. Storend is verder de gebrekkige eindredactie, die de lezer soms ook op het verkeerde been zet. Zo leidt een ontbrekende komma in de inleiding tot de (verkeerde) conclusie dat de latere Indonesische premier Soetan Sjahrir weliswaar door Tas’ eerste echtgenote geliefd werd, maar niet haar minnaar was. En de ‘student Jessuun d’Oliveira’ zal waarschijnlijk toch Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira geweest zijn.

Tas voelde zich aan het eind van zijn leven miskend. Hij kreeg zijn geschriften niet meer of slechts met moeite gepubliceerd. Toen hij in 1976 overleed was hij al in de vergetelheid geraakt. Voor het werk van zijn vriend en anticommunistische geestverwant De Kadt ontstond hernieuwde belangstelling na de ineenstorting van het Sovjetrijk. Anticommunisten kregen toen alsnog de eer altijd al gewezen te hebben op de onmenselijke praktijken van de totalitaire dictatuur, waarvoor de opening van de archieven in de voormalige Oostbloklanden de bewijzen leverde. Ronald Havenaar schreef een veelgeprezen biografie van De Kadt en Van Oorschot bracht De Kadts essays opnieuw uit. Het werk van Tas is echter niet bestand gebleken tegen de tand des tijds. Anders dan De Kadt kan Tas dan ook niet zo zeer worden beschouwd als politiek denker en schrijver, maar eerder als activist en journalist. Dat is een conclusie die Tas zelf teleurgesteld zou hebben. Met deze interessante biografie heeft hij nu toch zijn plaats in de geschiedenis gekregen.


Pien van der Hoeven, Erasmus Universiteit Rotterdam


Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.



Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.

ISSN: 2213-7653