A State Cinematographic Practice in Wartime

Leen Engelen, Lies Van de Vijver en Roel Vande Winkel

Spektakelcultuur in de Lage Landen: naar een geïntegreerde en interdisciplinaire benadering

September 1915. De Antwerpse schouwburg Odéon kondigt een vertoning aan van het blijspel De Theerozen, uitgevoerd door lokale Antwerpse artiesten. Dit blijspel wordt gevolgd door een vertoning van de Duitse film Het zwart kasteel (Das Dunkle Schloss, 1915), waarin Eugen Burg de op Sherlock Holmes geïnspireerde speurder Braun vertolkt. Daarnaast staan nog de Franse film Madame Satan (1913) en het driedelige dramatisch schouwspel – vermoedelijk ook een film – De verlossing op het programma. Dit alles wordt afgewisseld met een diversiteit aan ter plaatse vertolkte zang- en attractienummers (Afbeelding 1). Uit dit lukraak gekozen voorbeeld blijkt duidelijk dat de presentatie en consumptie van diverse vormen van wat we hier spektakel zullen noemen niet geïsoleerd plaatsvinden. Ook na de hoogdagen van het klassieke variététheater, bleef een mix van verschillende vormen van spektakel sterk aanwezig in de entertainmentsector.

Afbeelding 1

Afbeelding 1. Advertentie voor Schouwburg ‘Odéon’ te Antwerpen. Verschenen in de Geïllustreerde Zondagsgazet, 26 september 1915. Geraadpleegd via www.nieuwsvandegrooteoorlog.be.

In tegenstelling hiermee stellen we vast dat het historisch onderzoek naar vormen van spektakelcultuur zoals bioscopen, circussen, musichalls, theaters, concertzalen, opera’s, variététheaters, volkshuizen en andere gelegenheden doorgaans sterk disciplinegebonden is. Media-, cultuur- en wetenschapshistorici, letterkundigen, theaterwetenschappers, filmwetenschappers, communicatiewetenschappers, muziekwetenschappers, danswetenschappers en erfgoedkundigen weten dat hun onderzoek mogelijkheden tot cross-over en interdisciplinariteit bevat, maar blijven al te vaak binnen de vooropgestelde grenzen van het eigen vakgebied werken. Dit leidt tot een wetenschappelijke onderschatting van de brede historische context waarin de personen, instellingen en plaatsen elkaars pad kruisen (de hierboven vermelde Eugen Burg was bijvoorbeeld een theateracteur) en waarin ook esthetische strategieën en opvoeringspraktijken elkaar vaak wederzijds beïnvloeden. Dit geldt uiteraard ook voor het publiek, dat verscheidene vormen van vermaak combineerde en nu onterecht gereduceerd wordt tot ‘theaterpubliek’, ‘filmpubliek’, etcetera.

Het gebrek aan interactie tussen de verschillende onderzoekseenheden en disciplines is tevens een gemiste kans omdat men enerzijds vaak met vergelijkbaar bronmateriaal werkt, anderzijds te weinig overlegt over inhoudelijke, heuristische of methodologische vragen.

Door over disciplinaire grenzen te kijken, wil dit themanummer van het Tijdschrift voor Mediageschiedenis bijdragen aan een trendbreuk. Wars van disciplines werden academici uitgenodigd om hun historisch onderzoek naar spektakelcultuur inhoudelijk en methodologisch te vergelijken, een stand van zaken te schetsen, cases te presenteren, maar eveneens om nieuwe onderzoekshypotheses of -vragen te ontwikkelen. We focussen hierbij op de periode van het midden van de negentiende eeuw tot de opkomst van de televisie. Onder invloed van deze laatste kwam de klassieke spektakelcultuur immers onder druk te staan. Naarmate het televisietoestel een belangrijker rol kreeg in het ontspanningsleven, was het publiek steeds minder aangewezen op publieke, buitenshuis georganiseerde vormen van spektakel.

In haar bijdrage over ‘technologies of spectacle’ bepleit Kati Röttger precies deze geconnecteerde benadering van spektakelcultuur. Ze houdt daarbij een kritische historiografische benadering aan en demonstreert dat een interdisciplinaire en media-archeologische methodologie een al te teleologische benadering van spektakel verhindert en ruimte creëert voor de benadering ervan als een hybride en complex fenomeen. Door de ‘technologies of spectacle’ centraal te stellen, wordt een brug geslagen tussen ontwikkelingen in de kunsten, wetenschappen, technologie, media en entertainment. Uit de diachronische benadering van deze fenomenen – die teruggaat tot het einde van de achttiende eeuw – blijken opnieuw de tekortkomingen van een monodisciplinair perspectief.

De bijdragen van Kurt Vanhoutte en Nele Wynants (over de wetenschappelijke en artistieke demonstraties van Fransman Henri Robin in Brussel) en Kaat Wils (over de shows van de Belgische magnetiseur Donato) exploreren de kruisbestuiving tussen spektakel en wetenschap in de lage landen in respectievelijk het midden en het einde van de negentiende eeuw. Deze bijdragen tonen aan hoe deze artiesten een wetenschappelijk discours (en hun eigen wetenschappelijke interesse) trachten te rijmen met een breed gamma aan showelementen (bijvoorbeeld goochelkunsten, fantasmagorieën en andere lichtbeeldprojecties) om op die manier een breed en modern publiek aan te spreken en blijvend te verwonderen. Het verbaast dan ook niet dat men deze shows op uiteenlopende locaties ziet opduiken: op kermissen, in gevestigde theaters en concertzalen. In de tweede helft van de negentiende eeuw zal de link tussen populair amusement en wetenschap onder invloed van een toenemende positivisme gestaag afnemen. De Belgische hypnosewet (1892) die publieke hypnosevoorstellingen (zoals deze van Donato) verbood en in één beweging ook het uitoefenen van hypnose op kinderen en geesteszieken reguleerde, is hiervan een duidelijke indicatie.

De brede laatnegentiende-eeuwse spektakelcultuur vormt ook de achtergrond van de bijdragen van Evelien Jonckheere en Gert Jan Harkema. Middels een gevalstudie onderzoekt Jonckheere de bloeiperiode van de café-concerten en het variététheater. Door te kiezen voor een gevalstudie van Gent toont zij aan dat niet alleen in vaak bestudeerde grote metropolen als Parijs of Brussel, maar ook in kleine provinciesteden in de late negentiende eeuw een uiterst diverse ‘spektakelmaatschappij’ tot ontwikkeling kwam. Café-concerten en variététheaters vormen daarvan belangrijke uitingen. Om de voorlopig nog geringe wetenschappelijke interesse voor deze verschijningsvormen van spektakel verder te stimuleren, reikt Jonckheere een aantal praktische handvaten aan voor verder onderzoek. Vanuit een media-archeologische benadering beschrijft Gert Jan Harkema hoe de Duitse foorkramer Henri Grünkorn vooraleer hij furore maakte met kinematograafprojecties, tal van andere attracties uitbaatte (van roetsjbaan, tot mechanisch diorama en panopticum) en hoe deze attracties in de late negentiende eeuw zowel de toeschouwer als de foorreiziger als het ware voorbereidden op de komst van bewegende fotografische beelden. Het is opvallend hoe de bijdragen in dit themanummer het belang van internationale (artistieke, commerciële, wetenschappelijke) netwerken van deze rondreizende showmen benadrukken. Tot aan de Eerste Wereldoorlog had de spektakelcultuur inderdaad een sterk internationaal karakter.

De voorstellen die we voor dit themanummer mochten ontvangen en waaruit we hier een selectie presenteren, suggereren dat een interdisciplinaire benadering stilaan school maakt in het onderzoek naar spektakel in de negentiende en vroege twintigste eeuw. Voor spektakelvormen na de Eerste Wereldoorlog is dit echter veel minder het geval en blijven de disciplinaire schotten nog sterk overeind. Dit themanummer is een inspiratiebron om ook het gevarieerde karakter van spektakelvormen na de Eerste Wereldoorlog transdisciplinair te onderzoeken.

Biografie

Leen Engelen is als mediahistorica verbonden aan LUCA School of Arts en KU Leuven. Ze doet historisch onderzoek naar filmcultuur voor de Tweede Wereldoorlog en werkt momenteel (met Roel Vande Winkel) aan een publiekshistorisch project rond de Antwerpse bioscoop Cinema Zoologie (1915–1936). Naast artikelen over filmcultuur, publiceerde Leen ook over prentkaarten, filmaffiches, fotografie en publieke sculptuur. Leen is mede-initiatiefnemer van de Wetenschappelijke Onderzoeksgemeenschap Spektakelcultuur (FWO-Vlaanderen).

Lies Van de Vijver is postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent binnen het Centre for Cinema and Media Studies (CIMS). Ze doet historisch onderzoek naar de Vlaamse filmcultuur, met een focus op de Gentse bioscoopgeschiedenis. Ze is Visiting Research Academic aan Oxford Brookes University in het kader van een Europees project rond historische bioscooppublieken.

Roel Vande Winkel is docent film & tv studies (KU Leuven en LUCA School of Arts) en associate editor van Historical Journal for Film, Radio and Television. Hij is promotor van de Wetenschappelijke Onderzoeksgemeenschap Spektakelcultuur (FWO-Vlaanderen) en werkt momenteel onder andere (met Leen Engelen) aan een publiekshistorisch project rond de Antwerpse bioscoop Cinema Zoologie (1915–1936).


Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.



Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.

ISSN: 2213-7653