A State Cinematographic Practice in Wartime

Evelien Jonckheere

‘Gand a fini par faire comme les autres.’ De opkomst van het café-concert en variététheater in de laatnegentiende-eeuwse gentse ‘spektakelmaatschappij’

Abstract


‘GAND A FINI PAR FAIRE COMME LES AUTRES.’ THE RISE OF THE CAFÉ-CONCERT AND VARIETY THEATRE IN LATE NINETEENTH-CENTURY GHENT’S ‘SOCIETY OF THE SPECTACLE

Cafés-concerts and variety theatre have generally received only a cursory mention within the vast literature on the late nineteenth-century culture of spectacle in Europe’s major cities. This article uses Ghent as a case study to demonstrate that even in provincial towns, there was an abundance of spectacle available to the public during this era. Cafés-concerts and variety theatre played a particularly significant role and were closely interwoven with the spectacular urban renewal that took place in Ghent during the late nineteenth century. In addition, these forms of entertainment carried the seeds of the type of mass spectacle that would emerge in the twentieth century. Why, then, have the café-concert and variety theatre gone unexplored by academics for so long? In an attempt to answer this question, this article offers a means for identifying these two specific forms of spectacle in major urban centres and provincial towns in Belgium and abroad, thereby enabling a more thorough exploration of the phenomenon based on a wide range of sources. This, in turn, will allow the café-concert and variety theatre to emerge from obscurity and take their rightful place in the debate on the modern ‘society of the spectacle’.


Trefwoorden: café-concert; variététheater; music hall; vaudeville; spektakel



‘Gand a fini par faire comme les autres. Elle a son Eden-Théâtre.’1 Met deze woorden maakte de Gentse liberale krant, La Flandre Libérale, op 17 oktober 1883 aan haar lezers de opening van het nieuwe Eden-Théâtre in een voormalige Wolweverskapel in de Korte Dagsteeg bekend. Hiermee beschikte Gent eindelijk ook over een ‘Eden-Théâtre’ en volgde hiermee het voorbeeld van Brussel (1880), Antwerpen (1884) en Parijs (1881).2 In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden was het Gentse Eden-Théâtre geen klassiek theater maar een café-concert. Zoals ook het geval was bij café-concerten in binnen- en buitenland namen de toeschouwers plaats aan tafels om te consumeren terwijl ze een gevarieerd spektakel bijwoonden met snel opeenvolgende attracties van hoofdzakelijk zangers, maar ook van komieken, dansers, illusionisten, acrobaten en tal van curiositeiten onder begeleiding van het huisorkest. (Afbeelding 1) Dergelijk programma kon je het best vergelijken met een circusvoorstelling, maar dan zonder piste of grote dieren. Dat het hier geen derderangszaal betrof valt af te leiden uit de aanwezigheid van vele prominenten op de opening van het Eden-Théâtre: ‘L’inauguration a eu lieu hier soir en présence de MM. Colson, Voituron, Dauge et Bruneel, échevins, de plusieurs conseillers communaux, de nombreux officiers de la garde civique et de l’armée, et d’autres notabilités invitées.’3 De journalisten waren dan ook overtuigd dat de opening van het Eden-Théâtre een belangrijke stap was in de modernisering van de Gentse provinciestad: ‘Les Gantois ont donc une des curiosités modernes ou ils pourront mener les étrangers.4

Afbeelding 1

Afbeelding 1. Programmablaadje Eden-Théâtre (1890), collectie Vliegende Bladen Universiteitsbibliotheek Gent.

Afbeelding 2

Afbeelding 2. Postkaart met de koepel van het Nouveau Cirque gezien vanaf het Zuidstation (s.d.), collectie Huis van Alijn Gent.

In het zog van het Eden-Théâtre openden vele andere café-concerten in de buurt de deuren en 12 jaar later opende op nog geen 300 meter van het Eden-Théâtre het Nouveau Cirque waar bijna dagelijks variétéprogramma’s vertoond werden. (Afbeelding 2) Opnieuw hadden de Gentenaars een spektakelzaal waarmee ze zich konden meten met andere steden op het vasteland: ‘Voorzeker moet Gent thans onder opzicht van feestzaal en renbaan voor geen enkele stad van België, ja wellicht van het vasteland onderdoen.’5 Uit de beschrijvingen van het Eden-Théâtre en het Nouveau Cirque in de Gentse kranten blijkt dat er waarde werd gehecht aan het café-concert en het variététheater in de Gentse provinciestad. In dit artikel zal de betekenis ervan aangetoond worden in het licht van de kapitalistische stadsvernieuwingsprocessen waarmee zelfs in een provinciestad als Gent een ‘spektakelmaatschappij’ tot ontwikkeling kwam aan het einde van de negentiende eeuw, in navolging van grootsteden als Parijs, Brussel en Antwerpen. Die spektakelmaatschappij reflecteerde de karakteristieken van het café-concert en uiteindelijk ook het variététheater in het laatnegentiende-eeuwse Gentse stadsbeeld waardoor kan gesteld worden dat het café-concert en het variététheater de kiemen in zich droegen van het massaspektakel dat in de twintigse eeuw verder zou doorbreken.

Deze bijdrage beperkt zich tot de twee laatste decennia van de negentiende eeuw aangezien deze periode de grootste bloeiperiode van de café-concerten en het variététheater in Gent was. Die voorspoedige periode zou weliswaar al snel afgeremd worden door de opkomst van de cinematografie en de oprichting van bioscopen vanaf 1907 in België.6 Ondanks hun korte bloeiperiode kunnen de café-concerten en variététheaters als wegbereiders van het twintigste-eeuwse massaspektakel beschouwd worden zoals verder in dit artikel zal aangetoond worden. Hoe komt het dan dat het café-concert en variététheater jarenlang onder de radar bleven van het wetenschappelijke onderzoek? Tot voor kort verscheen er nauwelijks wetenschappelijke literatuur over het specifieke fenomeen en zelfs in lokale publicaties kwam het laatnegentiende-eeuwse Gentse café-concert en het variététheater nauwelijks aan bod. In een poging om hierop een antwoord te formuleren zullen handvaten worden aangereikt om deze specifieke spektakelvormen in zowel grootsteden als provinciesteden op te sporen, zowel in het binnen- als buitenland, zodat het fenomeen kan geëxploreerd worden aan de hand van uiteenlopende bronnen. Zo kan het café-concert en het variététheater alsnog opstaan uit de vergeethoek en mee het debat voeden van de zogenaamde moderne ‘spektakelmaatschappij’.

Historisering van de spektakelmaatschappij

In tegenstelling tot specifieke studies over het laatnegentiende-eeuwse café-concert en variététheater is er over het spektakelgehalte van het stadsbeeld in de laatnegentiende-eeuwse grootstad al heel wat gepubliceerd. In de nasleep van vele studies over de opkomst van het kapitalisme in de grootstad en de relatie ervan met arbeid en werk komt de klemtoon sinds de jaren 1990 steeds vaker op de relatie met consumptie en ontspanning te liggen.7 Toonaangevend daarbij is bijvoorbeeld de studie Paris, Capital of Modernity (2003) van de sociale geograaf David Harvey, die de invalshoek van financiële kapitalistische economie opentrekt naar alle domeinen van de laatnegentiende-eeuwse grootstad: de staatsstructuur, de banken, de arbeid, de positie van de vrouw, maar bijvoorbeeld ook de consumptiecultuur in het ontspanningsleven.8 Daarnaast bieden ook de studies van visuele cultuurhistorici interessante inzichten met betrekking tot de historisering van het spektakel.9 De visuele cultuurwetenschap combineert inzichten uit de kunstgeschiedenis, literatuur, filosofie, filmwetenschap, sociologie en antropologie om aan de hand van fenomenen zoals panorama’s, wereldtentoonstellingen, cinematografie en media archeologie de opkomst van het massaspektakel te verklaren in de brede context van de moderne grootstad.10 Café-concerten en variététheaters komen echter steevast slechts terloops in beeld.

W.J.T. Mitchell beschrijft in zijn essay “Interdisciplinarity and Visual Culture” (1995) dat die visuele cultuur ontstond vanuit de zoektocht naar vragen over de verschillende dimensies van het zien en de zintuiglijke waarneming bij populaire alledaagse beelden en de media.11 Tot de voorlopers van dergelijke onderzoeksvragen worden onder meer Walter Benjamin en Guy Debord gerekend die de geënsceneerde realiteit ten gevolge van de commercialisering bekritiseerden. Zo hekelde Benjamin in zijn befaamde Das Passagen-werk (1940) de ‘fantasmagorie’ of het zinsbegoochelende karakter van de kapitalistische cultuur en hekelde Debord in zijn Société du Spectacle (1960) de kolonisatie van het dagelijkse leven door de consumptiecultuur van films en advertenties aangezien dergelijke cultuur het individu vervreemdde van de werkelijkheid. In Spectacular Realities: Early Mass Culture in Fin-de-Siècle Paris (1998) historiseerde Schwartz het begrip ‘spektakelmaatschappij’ en situeert de wortels ervan in de opkomende massacultuur van het laat-negentiende eeuwse Parijs met haar talrijke stedelijke spektakels waarin de werkelijkheid als representatie of ‘spektakel’ wordt weergegeven. Daarbij neemt ze weliswaar afstand van het pessimisme van Debord en diens angst voor de vervreemding door te stellen dat het spektakel ook gemeenschapsvormend en klassenoverstijgend kon werken.12

Er mag dan ook gesteld worden dat sinds de jaren negentig van de vorige eeuw het begrip ‘spektakel’ een centrale plaats neemt in de studies van de modernisering in de negentiende eeuw.13 Daarbij is het wel opvallend dat de studies met betrekking tot de ‘spektakelmaatschappij’ nooit de provinciestad in beeld brengen en hoofdzakelijk op de Franse hoofdstad gericht zijn. Niettemin zal met dit artikel aangetoond worden dat ook een provinciestad als Gent zich in de late negentiende eeuw ontplooide tot een ‘spektakelmaatschappij’ en dat het café-concert en variététheater hier nauw mee verbonden waren.

Verleidelijk spektakel: attracties in het café-concert

De Gentse provinciestad was in de loop van de negentiende eeuw snel getransformeerd. Dit ‘Manchester van het vasteland’ was uit haar voegen gebarsten: de stad was bezaaid met fabriekspanden voorzien van hoge schouwen waaruit constant rookpluimen opstegen en overbevolkte beluiken waar de arbeiders in gehuisvest werden. Hoewel verstedelijking geen nieuw gegeven was, kon men wereldwijd toch spreken over een stroomversnelling in het stedelijke leven aan het einde van de negentiende eeuw. Nieuwe transport- en communicatiemogelijkheden zoals trein, tram, telegraaf en massapers maakten groothandel mogelijk en zorgden ervoor dat de steden steeds verder uit hun voegen barstten. Via het Gentse Zuidstation kwamen dagelijks vele ‘vreemdelingen’14 naar de stad, hetzij om zaken te doen, hetzij om te werken en steeds vaker ook om zich te ontspannen. Ondanks alle sociale spanningen was de late negentiende eeuw ook een periode waarin de welvaart gestaag ging stijgen. Via nieuwe kapitalistische systemen was er op hoge snelheid uitwisseling mogelijk van koopwaren, energieën, kapitaal, beelden en informatie die voor een steeds grotere massa bereikbaar waren. Dit ging gepaard met meer vrije tijd voor steeds meer mensen.15 Hierdoor nam het aantal ontspanningsmogelijkheden toe in de stad.

Het was op deze tendens dat August Bovyn, een succesvol zakenman in de binnen- en buitenlandse foorwereld als bouwer van foorbarakken, inspeelde toen hij in 1883 het Gentse Eden-Théâtre uit de grond stampte. Bovyn was onder meer de bouwer van het panorama ‘Antwerpen in de XVIe eeuw’ dat in 1882 op de Gentse halvastenfoor opgesteld stond.16 (Afbeelding 3) Bovyn had opgemerkt dat het houten panorama waarin het leven in Antwerpen in de zestiende eeuw werd uitgebeeld zeer succesvol was en liet na de foor het panorama nog een half jaar staan op het Gentse Sint-Pietersplein. Uit deze ervaring had Bovyn geleerd dat de vraag naar spektakel groot genoeg was om ook buiten de reguliere foormomenten ontspanningsvormen aan te bieden in de provinciestad. Het Eden-Théâtre bevond zich op het oude verbindingstracé tussen het Zuidstation en het oude stadscentrum dat weliswaar omschreven werd als ‘straatjes waarvan sommige nauwelijks eenen meter breedte hebben en volgepropt zijn van publieke en geheime ontuchthuizen die tot toevluchtsoord aan allerlei misdadigers strekken.’17 Niettemin openden er in de daaropvolgende jaren nog andere café-concerten de deuren in de buurt van het Eden-Théâtre: het Grand Café, ‘Taverne Mozart’ dat omstreeks 1901 getransformeerd zou worden tot ‘Eden-Concert’ en het ‘Deutsches Bierhaus.’18

Afbeelding 3

Afbeelding 3. Het Panorama ‘Antwerpen in de XVIe eeuw’ (1882), collectie Vliegende Bladen Universiteitsbibliotheek Gent.

Met ‘attracties’ of ‘aantrekkelijkheden’ probeerde de uitbater van het café-concert het publiek te lokken. Strooibriefjes en affiches probeerden de voorbijganger te verleiden met attractieve spektakels die zichzelf omschreven als ‘nouveautés’ en ‘curiosités’. Dergelijke curiositeiten waren bijvoorbeeld ‘Emma, la charmeuse des pigeons’ of de ‘Christy Minstrels’ met hun ‘scènes de nègres burlesques.’ (Afbeelding 4) Bij grote namen werd er gerefereerd naar grote spektakelzalen in het buitenland. In het Gentse Eden–Théâtre stond bijvoorbeeld de beroemde zanger Paulus van de Eldorado van Parijs op het programma, zangeres Valerie Pascal van de Victoria van Amsterdam en de zangeres Lucyani van de Tyvolie van Amsterdam.19 Het inzetten van attracties om de klant te laten consumeren was een eeuwenoude truc van de foor die de charlatans reeds eeuwenlang gebruikten om hun producten aan de man te brengen. De Gentse charlatan Sequah reed bijvoorbeeld in 1892 met een prachtig vergulde koets het Gentse stadscentrum binnen om zijn wonderolie tegen ‘rheumatismus’ aan de man te brengen. Zo werd hij meteen het gespreksonderwerp van de dag.20

Afbeelding 4

Afbeelding 4. ‘La Charmeuse des pigeons’ en ‘Christy Minstrels’ op het programma in het Grand Café (s.d.), collectie Vliegende Bladen Universiteitsbibliotheek Gent.

Het mag dan ook niet verwonderen dat café-concerten in binnen- en buitenlandse steden zichzelf verhulden in een zweem van exotisme en rijkdom en zich hierdoor presenteerden met namen als ‘Eden’, ‘Eldorado’, ‘Alcazar’, ‘Palais Indien’ et cetera. Eenmaal de aandacht van de voorbijganger getrokken was en deze plaats nam in het Gentse Eden-Théâtre kon die genieten van een attractief decor dat opnieuw rijkdom uitstraalde. De krant omschreef de inrichting van het Gentse Eden-Théâtre als volgt: ‘De versiering der zaal, gedaan door den heer Th. Coppieters, werd algemeen geprezen. De verlichting is goed en doet het goud en de kleuren, kwistig in de versiering aangewend, schitterend uitkomen.’21 Met het gebruik van vele kleuren en goud sloot het Gentse Eden-Théâtre aan bij de tendens van ‘le goût des merveilles’ die volgens de historici Caradec en Weill in de late negentiende eeuw in diverse luxueuze Parijse café-concerten opgang maakte. Parijse zalen als de ‘Alcazar’, ‘Alhambra’ en ‘Eldorado’ werden uitgerust met een overvloedige decoratie, weliswaar ‘du faux et du pastiche’.22 Dergelijke illusionistische interieurs zagen er luxueuzer en groter uit door het gebruik van spiegels en marmerimitaties in hout en plaaster. Fonteinen, kariatiden en kandelaars verhoogden dergelijke uitstraling. Dat ook in België ‘le gôut des merveilles’ was ingeburgerd blijkt uit een foto van het interieur van het Brusselse Eden-Théâtre. (Afbeelding 5)

Afbeelding 5

Afbeelding 5. Het interieur van het Brusselse Eden-Théâtre (s.d.), Archive d’Architecture Moderne.

De alomtegenwoordigheid van verleiding en luxe via de naam van de zaak en het illusionistische interieur diende het aantrekkelijke karakter van de onderneming te onderstrepen en de aanwezigen aan te zetten tot drinken en soms ook eten. Ook de vrouwelijke verleidingskracht werd hierbij ingezet aangezien bijvoorbeeld het Gentse Palais Indien uitpakte met het opschrift ‘service fait par les dames.’ (Afbeelding 8) In het café-concert werd alles in het werk gesteld om de toeschouwers te laten consumeren. De toegang was immers gratis. De toeschouwers namen er plaats aan tafels voor het podium en konden tijdens de voorstelling iets drinken. In het Gentse Eden-Théâtre werden er zelfs buffetten voorzien.23 Het consumeren tijdens het spektakel zorgde ervoor dat de aandacht verdeeld werd tussen het kijken naar het podium en het publiek. In het café-concert ging het dan ook niet enkel om kijken, maar ook om bekeken worden. De aanwezigheid van de vele spiegels in de café-concerten en het belang van overvloedig zaallicht onderstreept deze stelling. Het is dan ook niet toevallig dat het Eden-Théâtre in 1892 een schoonheidswedstrijd organiseerde waarbij de aanwezige toeschouwers konden stemmen op de mooiste dame ‘en maillot’. (Afbeelding 6)

Uit de krantenartikelen van de opening van het Eden-Théâtre bleek ook al dat het zich specifiek op de ‘vreemdeling’ richtte. Weldra ondernam ook de stad beslissingen die ervoor zouden zorgen dat de ‘vreemdeling’ naar de stad werd gelokt aangezien die als een belangrijke bron van inkomsten werd gezien zoals blijkt uit volgend artikel uit de Gazette van Gent van 26 maart 1884:

Vreemdelingen naar eene stad te lokken schijnt ons een der beste middels om die stad voorspoed te verschaffen, door er nering en verkeer te brengen. Het schijnt ons dus dat een stadsbestuur de verplichting heeft opofferingen te doen, in de mate der middelen van de gemeente, om zooveel mogelijk de stad dat aanlokkend uitzicht te geven, welk de vreemdelingen tot een bezoek er van aanspoort, of hen doet besluiten er zich te komen vestigen.

Afbeelding 6

Afbeelding 6. Programmablaadje van een schoonheidswedstrijd in het Eden-Théâtre (1890), collectie Vliegende Bladen Universiteitsbibliotheek Gent.

In navolging van de café-concerten zouden stadsvernieuwingsprojecten de stad een ‘aanlokkend uitzicht’ bezorgen door (schijn)beelden van weelde en rijkdom te etaleren om, in navolging van de café-concerten, de consumerende vreemdeling aan te trekken.

De stadsvernieuwingsprojecten werden opgezet onder het mom van steeds grotere bevolkingsdruk en ongezonde levensomstandigheden,24 maar in realiteit losten ze in eerste instantie de noden van de bourgeoisie in en speelden ze in op haar transformatie van industrieel naar commercieel kapitaal.25 Zo besloot het stadsbestuur om in het spoor van Haussmann het Zollikofer-De Vigneplan uit te voeren.26 Hiervoor verdwenen oude fabriekspanden en 550 arbeiderswoningen onder de sloophamer en verrees in 1888 een nieuw centrum met een luxueuze en consumptiegerichte uitstraling. Voortaan zouden de reizigers die aankwamen in Gent-Zuid het stadscentrum bereiken via de brede boulevards Vlaanderenstraat, Henegouwenstraat en Limburgstraat. Langs dit tracé verrezen imposante herenhuizen, hotels en koffiehuizen in uniforme neoclassicistische stijl met op het gelijkvloers grote uitstalramen en voorzien van een interieur met vele spiegels. Dit gaf de klanten van de koop- en koffiehuizen en de paraderende voorbijgangers op de brede voetpaden de kans om tegelijk te kijken en bekeken te worden. De voorbijganger vergaapte zich dus niet enkel aan het burgerlijke spektakel in het straatbeeld maar werd ook zelf een onderdeel van dit spektakel, zoals ook in het café-concert het geval was. (Afbeelding 7)

Afbeelding 7

Afbeelding 7. F. Dobbelaere, ‘Vlaanderenstraat Gent’ (s.d.), private collectie.

Naast het inrichten van ontspanningsmogelijkheden werd ook een vereniging opgericht om de aantrekkelijkheid van de buurt nog wat extra te stimuleren. De vereniging ‘Gand-Attractions’ gaf volgende bestaansreden op: ‘Om zoveel mogelijk vreemdelingen naar Gent te lokken (…), de algemene welvaart en voornamelijk die van de kleinhandel te bevoordeeligen en uit te breiden en het verblijf aan de vreemdelingen nuttig te maken door hun de kunst, nijverheids- en handelsspecialiteiten te doen kennen.’27 Een van de activiteiten die door de vereniging werd georganiseerd was een wedstrijd voor de mooiste etalage. De inspiratie voor Gand-Attractions, opgericht in 1895, was ‘Bruxelles-Attractions’,28 acht jaar eerder in 1887 opgericht door de toenmalige burgemeester Charles Buls.29 In de schoot van deze vereniging werd een toeristisch bureau gevestigd waar onder meer de reservaties voor theaters werden georganiseerd.30 Dergelijke gelijkaardige activiteiten leggen de concurrentiestrijd bloot tussen steden onderling zoals bijvoorbeeld blijkt uit het volgende citaat uit een krantenartikel: ‘Het is ongelukkiglijk genoegzaam gekend dat de meesten hunner [de rijken] zich te Brussel en te Parijs het noodige verschaffen, ofschoon te Gent vele welingerichte huizen bestaan, voorzien van allerlei soorteeringen.’31 Met deze ‘welingerichte huizen, voorzien van allerlei soorteringen’ werd verwezen naar de opkomende warenhuizen zoals het ‘Maison Universelle’, ‘Au Bon Marché’ of ‘Au Printemps’ bedoeld die in navolging van Parijs en Brussel ook snel ingang vonden in de provinciestad. Niettemin bleef het moeilijk te concurreren met grootsteden als Brussel en Parijs.32 Dat de Gentse provinciestad ondanks de grote ambities daarbij steevast het kleine broertje zou blijven, bleek bijvoorbeeld uit het feit dat in de ‘Indicateur général des Railways Belges’ dertig keer meer Brusselse hotels, restaurants en cafés bevatte dan Gent in 1899, meerbepaald 1497 adressen voor Brussel tegenover 51 adressen voor Gent.33

Naast de attractieve hotels, koop- en koffiehuizen met grote uitstalramen vervoegden ook diverse café-concerten het fantasmagorische Gentse straatbeeld.34 Zo doken in en nabij de nieuwe Gentse boulevards in 1892 café-concerten op die mee de ‘aantrekkelijkheid’ van de buurt zouden te verhogen: de ‘Scala’ en de ‘Eldorado’ op de hoek met de Vlaanderenstraat en de Kuiperskaai. Een jaar later dook in de buurt van de Brabantdam het café-concert ‘Palais Indien’ (Afbeelding 8) op met dezelfde uitbater als de Eldorado en in 1894 het café-concert ‘Café de la Renaissance’ dat in 1902 omgevormd werd tot café-concert ‘Olympia’. Dat deze café-concerten specifiek op de ‘vreemdeling’ waren gericht bleek bijvoorbeeld uit het opschrift ‘English spoken/Man spricht Deutsch’ (Afbeelding 8) op hun strooibriefjes. Tot slot werd in 1895 ook een café-concert getraceerd in de foyer van het ‘Hôtel du Lion d’Or’ op de Gouden Leeuwplaats. Deze locatie lag in het verlengde van de Vlaanderenstraat in het centrum van de stad. Hieruit blijkt dat spektakel niet langer beperkt werd tot de jaarlijks terugkerende kermissen en foren. Voortaan was het straatbeeld in één groot spektakel herschapen vol verleiding tot consumptie.

Afbeelding 8

Afbeelding 8. Programmablaadje van het Palais Indien (s.d.), collectie Vliegende Bladen Universiteitsbibliotheek Gent.

Warenhuizen van vermaak: voor elk wat wils in het variététheater

Het vernieuwde straatbeeld zou niet alleen nieuwe consumenten van binnen en buiten de stad aantrekken, maar stimuleerde ook de speculatie. Het Zollikofer-De Vigneplan werd bijvoorbeeld mee gefinancierd door de ‘Compagnie Immobilière de Belgique’ (C.I.B.) waarvan Koning Leopold II een belangrijk aandeelhouder was.35 De C.I.B. was tevens betrokken geweest bij de transformatie van de Brusselse Onze-Lieve-Vrouw-Ter-Sneeuwwijk, gelegen in de buurt van het Belgisch parlement en het koninklijk paleis. Ook daar transformeerde tussen 1875 en 1880 een arbeiderswijk tot residentiële buurt. Het totale project werd opgestart met een kapitaal van vijf miljoen door ‘Société Anonyme du Quartier Notre-Dame-aux-Neiges’ waarvan de C.I.B. voor 1.298.500 frank bijdroeg.36 Deze nieuwe burgerlijke buurt in neoclassicistische stijl bevatte tevens ontspanningszalen zoals het ‘Cirque Royal’ in de Onderrichtstraat vanaf 1878 en het ‘Eden-Théâtre’ in de IJzerenkruisstraat vanaf 1880.37 Ook Antwerpen kende een gelijkaardige stadsontwikkeling met de sanering van het Zuidkwartier vanaf 1875, net als de wijk in Brussel uitgevoerd onder impuls van de C.I.B. en waar eveneens een stenen circus, ‘De Hippodroom’ (1900), en een ‘Eden-Théâtre’ (1884) werd opgericht.38

Hieruit blijkt niet alleen de connectie met spektakelzalen bij dergelijke grote stadsvernieuwingsprojecten, maar ook de nauwe verbondenheid van kapitaalkrachtige speculanten over diverse steden heen. Die speculanten werden niet alleen ingezet bij bouwprojecten van stadsontwikkeling, maar tevens bij de bouw van grote spektakelzalen. Opnieuw leek Gent het voorbeeld van Brussel te volgen en werd het stadsvernieuwingsproject verrijkt met een stenen circus. De ‘Société Anonyme du Nouveau Cirque’ verzamelde kapitaal voor de oprichting van een ‘Nouveau Cirque.’ Het oude stenen circus ‘De Drie Sleutels’ dat nog deels opgetrokken was uit hout werd door de prestigieuze ruitermaatschappij ‘Cercle Equestre’ als te klein ervaren.39 Het bevond zich in de Sint-Amandsstraat vlakbij het Sint-Pietersplein waar de halfvastenfoor jaarlijks plaatsvond en was sinds 1892 in handen gekomen van August Bovyn, de eigenaar van het Eden-Théâtre.40 Een ‘nouveau cirque’ werd geplaatst op het terrein van de vroegere katoenfabriek Van de Kerckhove, begrensd door de Sint-Pietersnieuwstraat, de Lammerstraat en de Kleine Huidevettershoek en bevond zich hierdoor tussen het Zuidstation en het vernieuwde tracé van het Zollikofer-De Vigneplan. De eerste steen werd op 15 september 1894 en was het resultaat van vier duizend ‘actions’ van aandeelhouders van de ‘Société Anonyme du Nouveau Cirque’ die elk honderd Belgische Franc investeerden in de bouw van de zaal.41 Om de zaal voldoende te laten renderen, was er een groot aantal zitplaatsen voorzien (3500).42 De zaal werd van oktober tot aan de halfvastenfoor verhuurd aan een directeur die er op quasi dagelijkse basis, tijdens het theaterseizoen en buiten de foorperiodes, variétéprogramma’s programmeerde. De Nederlandse directeur J.J. Heetwinkel huurde er van 1895 tot 1900 aan 49.000 fr. per jaar.43 De directeur was verantwoordelijk voor het inrichten van gevarieerde programma’s, zoals ook het geval was in de café-concerten.

In de variétéprogramma’s was nog meer ruimte voor variatie dan in het café-concert, dankzij het grote podium.44 Naast zang, dans en komische nummers stonden ook meer sensationele acrobatienummers en tal van technologische ‘nieuwigheden’ op het programma. Het aandeel zang was er kleiner dan in het café-concert, maar muziek bleef er een belangrijke positie bekleden aangezien het variététheater over een eigen huisorkest beschikte.45 In tegenstelling tot het café-concert werden alle attracties ingedeeld in nummers die opgelijst werden op een programmablaadje dat werd meegegeven aan de toeschouwers. (Afbeelding 10) In het Gentse Nouveau Cirque was er ook een pauze na een tiental nummers waarna het tweede deel met evenveel nummers terug aanvatte. De inleidende en afsluitende nummers van elk programma werden doorgaans door het huisorkest verzorgd . Net als in het café-concert waren het steevast internationale artiesten die rondreisden van zaal naar zaal. Zij stonden doorgaans onder de hoede van een impressario die tournees regelde voor de artiesten en instond voor de boeking met de directie en uitbaters van café-concerten, variététheaters, circussen en gelijkaardige populaire spektakelvormen.46

Afbeelding 9

Afbeelding 9. Plattegrond van Gent uit circa 1900, N. Heins. Bron: Universiteitsbibliotheek Gent.

Afbeelding 10

Afbeelding 10. Programmablaadje Nouveau Cirque (1899), collectie Vliegende Bladen Universiteitsbibliotheek Gent.

Hoewel er in tegenstelling tot het café-concert tijdens het variétéprogramma niet geconsumeerd kon worden, waren er toch voldoende gelegenheden om het geld te laten rollen. Zo konden toeschouwers bijvoorbeeld een brochure kopen bij de attractie van de ‘45 wilde amazones van Dahomey’ uit 1899, (Afbeelding 11) waarbij de vrouwelijke strijders uit de privémilitie van koning Béhazin een gevarieerd aanbod van dans, zang en gymnastiek opvoerden. Daarnaast konden er in de pauze en na de voorstelling steevast diverse dranken genuttigd worden en kregen de toeschouwers de kans om deel te nemen aan tombola’s die prijzen als vijfhonderd kilo kolen of een volledig kostuum konden opleveren.47

Op de programmablaadjes verscheen publiciteit van omliggende handelszaken die de variétéprogramma’s mee sponsorden. Het is dan ook niet toevallig dat er een goede samenwerking was tussen de leden van Gand-Attractions en het bestuur van het Nouveau Cirque.48 Het bureau van Gand-Attractions bevond zich bovendien in het ‘Hôtel du Lion d’Or’ dat tevens over een café-concert beschikte en vanaf 1900 omgebouwd werd door Heetwinkel tot variétézaal.49 Dat ook het Nouveau Cirque alles in het werk stelde om de ‘vreemdelingen’ goed te ontvangen bleek uit hun nauwe samenwerking met het Hôtel de la Cloche en de toeristische postkaarten met de Gentse bezienswaardigheden uitgegeven door het Nouveau Cirque ter promotie van het variététheater.50 (Afbeelding 12)

De schaalvergroting in het Nouveau Cirque was noodzakelijk om een winstgevend model te genereren voor de investeerders. Hiermee kan het variététheater als voorloper beschouwd worden van het massaspektakel dat in de loop van de twintigste eeuw, onder meer met de ontwikkeling van de bioscopen, verder zou evolueren. Het Gentse Nouveau Cirque zou de cinematografie vanaf het begin opnemen als attractie in de variétéprogramma’s maar zou snel de toenemende concurrentie voelen van de cinematografie die zich steeds autonomer opstelde. De beperkte werkingskosten van de cinema en de eenvoudige distributie leenden zich nog meer dan het variététheater tot een grootschalig en winstgevend spektakelmodel. Het ‘voor elk wat wils’-karakter van het variététheater en bijhorende grootschaligheid toont eveneens overeenkomsten met de eerste warenhuizen in de stad. Ook deze ondernemingen konden op basis van de schaalvergroting in productie en distributie een grote variatie van ‘nouveautés’ permanent op één plaats aanbieden. Ze deden hiervoor beroep op een internationale markt. De doorbraak van de warenhuizen kwam in Gent vanaf de jaren 1880. Namen als het ‘Maison Universelle’, ‘Les Grand Magasins du Bon Goût’, ‘Au Bon Marché’, ‘Au Printemps’, ‘Magasins du Louvre’ of ‘À l’Innovation’51 wisten niet langer te verleiden via exotisme of rijkdom maar eerder via het aanprijzen van veelheid, goede smaak, goedkope prijs en vernieuwing wat wees op een tendens van democratisering. Niettemin zou pas in de loop van de twintigste eeuw de grote volksmassa haar weg vinden naar de warenhuizen.52

Afbeelding 11

Afbeelding 11. De 45 wilde amazones van Dahomey (1899), collectie Vliegende Bladen Universiteitsbibliotheek Gent.

Die democratiseringstendens is opvallend want ook het Nouveau Cirque leek pogingen te ondernemen om niet enkel de burgerij aan te trekken, maar ook de lagere klassen. Dit wordt gesuggereerd door de grote variatie aan toegangsprijzen.53 Naargelang het betaalde toegangsgeld was er wel een aparte ingang voorzien voor de bezoekers. Zo kregen de bezoekers van de eerste rang in het Nouveau Cirque toegang tot de zaal via een aparte ingang in de Sint-Pietersnieuwstraat die voorzien was van een eigen café, terwijl de bezoekers van de tweede en derde rang toegang kregen tot de zaal via de ingang aan de Lammerstraat waar tevens een café was ondergebracht.54 Hierbij kan de vraag gesteld worden of die democratiseringstendens het gevolg was van de schaalvergroting van het spektakel waarbij nu éénmaal een groter publiek noodzakelijk was om winst te maken of dat dit een strategische keuze was om een antwoord te bieden op de groeiende sociale onrust in de laatnegentiende-eeuwse stad. Volgens Harvey had het spectaculaire straatbeeld in het spoor van Hausmann voor meer politieke oppositie gezorgd want de etalering van de burgerlijke weelde en rijkdom had de toorn van de arbeidersklasse in de hand gewerkt.55 Het gros van de werklieden was in Parijs verstoten uit het vernieuwde stadscentrum56 en diende elders te consumeren. Dezelfde tendens tekende zich ook af in de Gentse provinciestad, waar werklieden voornamelijk consumeerden in de café-chantants en waar de namen van lokale artiesten als Jan Pataat, Pier de Dulle en Jan de Knots frustraties verraadden. Een ‘pataat geven’ betekent immers zoveel als ‘afrossen’, ‘de Dulle’ staat voor ‘de agressieveling’ en met een ‘knots’ kon heel wat vernieling aangericht worden. Deze café-chantants waren gelegen in volksbuurten en rond de markten die steeds meer bedreigd werden door de oprukkende warenhuizen.57 Niet alleen de arbeiders maar ook de boerenstand had enige reserve tegenover het luxueuze stadsbeeld en werd hierdoor eerder afgeschrikt.58 Anderzijds was het Nouveau Cirque wel een plaats waar de verschillende klassen samenkwamen op één plaats en konden genieten van een gevarieerd internationaal spektakel, zij het wel duidelijk van elkaar gescheiden. Hierdoor wordt met het Nouveau Cirque ook voor een stuk tegemoet gekomen aan de stelling van Schwartz die beweerde dat de laatnegentiende-eeuwse spektakelmaatschappij evenzeer de gemeenschap wist te verbinden.59

Afbeelding 12

Afbeelding 12. Toeristische postkaart uitgegeven door het Nouveau Cirque (s.d.), private collectie.

Archeologie van het café-concert en variététheater

Hoe komt het nu dat slechts zo weinig studies specifiek aan het café-concert en het variététheater aandacht besteden? In de eerste plaats waren vele zaken maar een kort leven beschoren of evolueerden ze aan het begin van de twintigste eeuw tot bioscoop en verdween de voorgeschiedenis daarvan uit het collectieve geheugen.60 Het vluchtige karakter van de café-concerten en variététheaters was ook soms het gevolg van de niet al te smetteloze reputatie van de variété-exploitanten. Zo rapporteerden de kranten dat de eigenaar van het Gentse Eden-Théâtre, August Bovyn, het niet altijd even nauw nam met de overheidsregels.61 Het onderzoek naar Heetwinkel door de staatsveiligheid omwille van ‘handel in blanke slavinnen’62 of de gedwongen sluiting van het Brusselse Eden-Théâtre in 1890 wegens de vele geruchten van ontucht (ook al waren vele gemeenteraadsleden trouwe bezoekers)63 geven aan dat het spektakel soms in een grijze zone opereerde waardoor een passage in de geschiedenisboeken verkeken werd.

De oorzaak ligt daarnaast ook ongetwijfeld in de complexe aard van het fenomeen zelf. De terughoudendheid van academici voor het fenomeen verklaart de Britse academicus Peter Bailey vanuit de complexe aard van het onderwerp dat bijgevolg een multidisciplinaire benadering vraagt: ‘linguistics, semiotics, anthropology, socilogy, structuralism and other critical practices’.64 Bovendien laat het fenomeen zich moeilijk in een hokje duwen. De commerciële aard van de café-concerten en variététheaters zorgde ervoor dat het zich nu eens onder de noemer ‘theater’ verkocht (bijv. Eden Théâtre) en dan weer onder de noemer ‘circus’ (bijv. Nouveau Cirque), terwijl de praktijk ervan duidelijk aansluit bij die van het café-concert of het variététheater. Bovendien boden dergelijke ontspanningsvormen vaak een combinatie van genres. Zo waren er tijdens de foorperiode in het Nouveau Cirque steevast circussen te zien en werden er in het Eden-Théâtre naast de gevarieerde spektakels ook wel eens operettes en repertoirestukken van het lichtere genre vertoond of werden er zoals in het Nouveau Cirque op geregelde tijdstippen ook populaire bals georganiseerd.

Tot slot ontbreekt er ook een éénduidige internationale terminologie van het fenomeen aangezien in België, Frankrijk, Groot-Brittannië en in de Verenigde Staten voor gelijkaardige fenomenen, telkens een verschillende terminologie wordt gebruikt.65 Zo wordt in België en Frankrijk over een café-concert gesproken, terwijl dit in Groot-Brittannië als music hall wordt omschreven en in de Verenigde Staten als concert saloon. Het variététheater wordt dan in Frankrijk met théâtre des variétés, maar soms ook als music-hall omschreven, in Groot-Brittannië met music hall of variety theatre en in de Verenigde Staten met vaudeville. Niettemin zijn er heel wat gelijkenissen in de ontwikkeling van diverse populaire spektakelvormen op internationaal vlak, wat geen toeval is aangezien het populaire spektakel bij uitstek een internationaal fenomeen was met rondreizende exploitanten en artiesten en er uiteindelijk heel wat gemeenschappelijke karakteristieken opduiken, gaande van financiële structuur, naamgeving, inrichting tot programmatie et cetera.

Bij welke bronnen kan de onderzoeker uiteindelijk terecht om het café-concert en variététheater op te sporen en te analyseren? In het geval van Gent was het bronnenmateriaal grotendeels afkomstig uit een bijzonder fonds met uitzonderlijk materiaal. Het fonds ‘De Vliegende Bladen’, bewaard in de Gentse universiteitsbibliotheek, vormt een uitzonderlijk uitvoerig archief van heterogene efemera, zoals affiches en strooibriefjes, die onder de bibliothecaris Ferdinand Vander Haeghen (1830–1913) werden verzameld in de Gentse universiteitsbibliotheek. Volgens de mythe zou Ferdinand Vander Haeghen, afkomstig uit een grote Gentse drukkersfamilie en liberaal gemeenteraadslid, als een Benjaminiaanse voddenraper al kuierend door de straten van Gent strooibriefjes en schijnbaar nutteloze advertenties van de tijdelijkheid gered hebben. De minder romantische en wellicht waarheidsgetrouwere versie van het verhaal vertelt hoe Vander Haeghen een oproep deed in de kranten en tijdschriften om gedrukte of met de hand geschreven documenten die schijnbaar geen waarde hadden nooit weg te gooien. Ooit zouden deze documenten van kostbare waarde zijn voor het nageslacht, voorspelde Vander Haeghen.66 Dergelijke anekdotiek geeft de vluchtigheid aan van schijnbaar waardeloze bronnen als affiches en flyers, maar het belang van dergelijke bronnen voor het historisch onderzoek vandaag is groot. Om de namen en informatie van kleinere ondernemingen zoals café-chantants of café-concerten te traceren zijn affiches en flyers zeer waardevol. Niettemin zitten de meeste affiches, flyers, postkaarten et cetera die verwijzen naar het populaire spektakelleven eerder bij private verzamelaars of in collecties van musea of archieven met linken naar volkskunde, fotografie, cinematografie of muziek.67

In de stadsarchieven kan men eerder de reglementeringen en ordevoorschriften van populaire attractievormen terugvinden. Bijkomende informatie hierover kan men terugvinden in verslagen van de gemeenteraad. Ook stedenbouwkundige informatie kan waardevol zijn. Meerbepaalde de (ver)bouwplannen van panden waar café-concerten of variététheaters in ondergebracht werden. Aan de hand van de plannen kunnen de bouwheren getraceerd worden, net als de schaal van de onderneming en hoe een pand en diens functies evolueerden. Bij gedetailleerd opzoekwerk per zaal kunnen de lokale stads- en OCMW-archieven68 geraadpleegd worden. Het OCMW-archief bevat bijvoorbeeld informatie met betrekking tot de armenbelasting. Elke commerciële vorm van vermaak diende immers een bepaald percentage van de omzet af te geven aan de stad waarmee vervolgens liefdadigheidsprojecten werden ondersteund. De registers die deze belasting registreerden geven een zicht op de uitbaters en hun omzet in de stad. Daarnaast kan men ook in overheidsarchieven zoals het rijksarchief waardevolle informatie terugvinden. Ditmaal over de artiesten op basis van de vreemdelingendossiers aangezien elke ‘vreemdeling’ die het land binnen of buiten ging zich nauwkeurig moest aanmelden waarna per persoon een dossier werd bijgehouden met de verschillende activiteiten in het land. Zo kan bijvoorbleed een uniek zicht verkregen worden op de routes van artiesten en hun omkadering.69

Ook kaarten en adresboeken kunnen waardevolle informatie bevatten, net zoals volkskundige geschriften van tijdsgenoten. Tot slot bevat ook de eigentijdse literatuur heel wat nuttige informatie. Dagboeken van reizigers en reisgidsen bevatten waardevolle informatie aangezien populaire spektakelvormen frequent door toeristen en/of handelsreizigers werden bezocht omwille van hun internationale karakter. Tevens zijn de beeldende kunsten van onschatbare waarde voor de studie van de populaire spektakelzalen. Niet enkel Toulouse-Lautrec of Manet waren aangetrokken tot het populaire spektakelleven in de stad, maar evenzeer een groot aantal lokale kunstenaars. De cafés en spektakelzalen waren immers de ideale uitvalsbasis om de medetoeschouwers of artiesten te schetsen. Zo bevat bijvoorbeeld het werk van de Gentse kunstenaar Jules De Bruycker (1870–1945) veel verwijzingen naar het populaire spektakelleven.70 Dat dergelijk artistiek werk ook inhoudelijk een belangrijke bron van informatie kan zijn bleek onder meer uit de belangwekkende studie The Painting of Modern Life (1985) van de Franse kunsthistoricus T.J. Clark over de Franse café-concerten en hun publiek.71

Tot slot kan er ook heel wat informatie opgespoord worden door de dagbladen intensief door te nemen, wat met de huidige digitalisering en met behulp van de juiste trefwoorden op efficiënte wijze kan gebeuren. Doorgaans verschijnt in de lokale dagbladen een aparte rubriek met ‘vermakelijkheden’ of ‘schouwburgnieuws’ waarin diverse ontspanningsmogelijkheden worden opgelijst. Hierin worden variététheaters beschreven, maar wordt geen vermelding gemaakt van de café-concerten. Om gericht de namen van café-concerten en variététheaters op te sporen zijn de vakbladen aangewezen die artiesten in contact brachten met impressario’s en directies van spektakelzalen in binnen- en buitenland. In vakbladen zoals de The Encore en The Music-Hall Revue: Organe des Auteurs, Compositeurs, Editeurs et Artistes, L’Information en Journal des Théâtres et Concerts wordt bijvoorbeeld vermelding gemaakt van zalen in Brussel, Oostende, Antwerpen en Luik en dit tussen een groot aanbod Engelse en Franse zalen. Hieruit valt bijvoorbeeld op dat er onder Gent beduidend minder zalen vermeld werden dan in steden als Charleroi, Verviers, Antwerpen en Brussel. Deze vakblaken bieden de mogelijkheid om op een systematische manier zalen op te lijsten en het spektakelaanbod te vergelijken met omliggende steden in binnen- en buitenland. Jammer genoeg zijn ze zelden op consequente wijze bewaard. Ook de vakbladen van foorkramers zoals Le Forain en La Comète zijn de moeite waard om te raadplegen omdat veel artiesten, impressario’s en directie uit de variétéwereld ook in het foormilieu circuleerden.

De hierboven voorgestelde methodologie is slechts een eerste vertrekpunt. Vandaag zou men gebruik kunnen maken van geïntegreerde technieken om grootschalige comparatieve analyses mogelijk te maken. De aanleg van bijvoorbeeld een uitgebreide GIS-databank in diverse steden zou de koppeling met de stedenbouwkundige evoluties in kaart kunnen brengen en geïntegreerde sociale en culturele anayses mogelijk maken. De complexiteit van de populaire spektakelvormen vraagt weliswaar om een intensief archiefonderzoek, maar de resultaten hiervan leggen ontgetwijfeld een stuk stads- en spektakelgeschiedenis bloot die tot op vandaag veelal onderbelicht bleef.

Besluit

In dit artikel werd een poging ondernomen om de lezer aan te zetten het café-concert en variététheater nader te onderzoeken, nadat het vele jaren aan de aandacht van het wetenschappelijk onderzoek ontsnapte. Zowel aan de hand van praktische tips om bronnen te verzamelen als aan de hand van een interdisciplinair framewerk wordt met voorbeelden uit de Gentse laatnegentiende-eeuwse context aangetoond dat het café-concert en variététheater nauw verbonden waren met de laatnegentiende-eeuwse stadsvernieuwingsprojecten en de eerste stapjes zetten in de richting van het massaspektakel. Het café-concert en variététheater maakten onlosmakelijk deel uit van een spektakelmaatschappij die de kapitalistische economie diende. De provinciestad Gent stapte hiermee in de sporen van Parijs en Brussel en hoopte met dergelijke spektakels de concurrentie aan te kunnen gaan met de grootsteden die door hun schaalgrootte een grote voorsprong genoten bij het ontwikkelen van moderne massaspektakels.

In hoeverre de spektakelmaatschappij de sociale onrust in de hand werkte of er net een antwoord op wist te bieden is stof voor verder onderzoek, maar wellicht is het antwoord hierop tweeslachtig, conform de definitie van de moderniteit zoals geformuleerd door Marshall Berman: ‘It is a maelstrom of perpetual disintegration and renewal, of struggle and contradition, of ambiguity and anguish.’72

Tegen die achtergrond van voortdurende disintegratie, vernieuwing, strijd, contraditictie, ambiguïteit en angst ontwikkelde zich de exploitatie en programmatie van de café-concerten en variététheaters.

Noten



1.     La Flandre Libérale, 17 oktober 1883.

2.     Lionel Renieu, Histoire des théâtres de Bruxelles: depuis leur origine jusqu’à ce jour (Parijs: Duchatre et Van Buggenhoudt, 1928), 229; Ronny De Meyer en Lut Prims, Het Zuid (Antwerpen 1875–1890): architectuur en maatschappij (Schoten: Druk. Continental, 1993); François Caradec en Alain Weill, Le café-concert, 1848–1914(Parijs: Fayard, 2007) 61.

3.     La Flandre Libérale , 17 oktober 1883.

4.     La Flandre Libérale, 17 oktober 1883.

5.     Vooruit, 23 feburari 1895.

6.     Zie voor een gedetailleerde beschrijving van de opkomst van de cinema in België de studie van Guido Convents, Van kinetoscoop tot café-ciné: de eerste jaren van de film in België, 1894–1908 (Leuven: Universitaire Pers, 2000).

7.     Vanessa Schwartz, Spectacular Realities: Early Mass Culture in Fin-de-Siècle Paris (Londen: University of California Press, 1998), 7.

8.     David Harvey, Paris, Capital of Modernity (New York: Routledge, 2003).

9.     Vanessa R. Schwartz en Jeannene M. Przyblyski, red., The Nineteenth-Century Visual Culture Reader (New York: Routledge, 2003).

10.     Nic Leonhardt, Piktoral-Dramaturgie: Visuelle Kultur und Theater im 19. Jahrhundert (1869–1899) (Bielefeld, Transcript, 2007), 26.

11.     W.J.T. Mitchell, ”Interdisciplinarity and Visual Culture,” Art Bulletin 77: (1995), 540–544.

12.     Schwartz, Spectacular Realities, 6–7.

13.     Stéphane Gerson, ”Maurice Samues, The Spectacular Past: Popular History and the Novel in Nineteenth-century France,” The Journal of Modern History, 78 (2006): 726.

14.     Met de term ‘vreemdelingen’ wordt niet enkel naar anderstaligen gerefereerd, maar ook naar alle ‘niet-Gentenaars’. De term slaat dus eveneens op mensen afkomstig van het platteland of de ruimere provincie. Zie Gazette van Gent, 26 maart 1884.

15.     Harvey, Paris, Capital of Modernity, 216.

16.     Gazette van Gent, 26 februari 1882; 19 maart 1882; 26 maart 1882; 29 oktober 1882.

17.     ”Het Zollikofer-De Vigneplan: Gent krijgt boulevards naar Parijs model” in: De kranten van… Gent, 1860–1914, vol. 6, red. Marc Roose (Gent: Facsimile, 1996), 5.

18.     Evelien Jonckheere, “Grand Théâtre, Café-concert en variététheater in Gent (1880–1914): Genealogie van de aandachts- en verstrooiingspraktijken in relatie tot de economisch-culturele context en psychosociale ervaringen van de moderne toeschouwer” (PhD Diss. Universiteit Gent, 2014), 129–133.

19.     Jonckheere, “Grand Théâtre”, 184.

20.     Gazette van Gent, 6 januari 1892; 31 januari 1892; 3 febuari 1892.

21.     Gazette van Gent, 18 december 1883.

22.     Caradec en Weill, Le café-concert, 42–43; Zie ook: Steven M. Whiting, Satie the Bohemian: From Cabaret to Concert Hall (Oxford: Oxford University Press, 1999), 14; Concetta Condemi, Les cafés-concerts, Histoire d’un divertissement (Paris: Quai Voltaire, 1992), 59.

23.     De Gazette van Gent van 9 oktober 1884 vermeldde dat aan A. Bovyn een uitvindingsbrevet was verleend door de stad voor de uitvinding van het automatisch buffet.

24.     “Het Zollikofer-De Vigneplan”.

25.     Schwartz, Spectacular Realities, 3.

26.     De Gentse schepen De Burggraeve sprak de gevleugelde woorden uit: ’Oui Haussmann, Tâchons d’en trouver un pour notre ville…’ in: André Capiteyn e.a., Gentse torens achter rook van schoorstenen. Gent in de periode van 1860–1895 (Gent: Stad Gent, 1983) 19–31.

27.     Uit de map ‘Gent-Attractions’ met statuten en jaarverslag 1895 van Gand-Attractions, ‘Collectie Vliegende Bladen’, Universiteitsbibliotheek Gent: BIB.G.016413/1.

28.     Uit de map ‘Bruxelles-Attractions’, ‘Collectie Vliegende Bladen’, Universiteitsbibliotheek Gent: BIB.VLBL.HFI.B.143.03.

29.     Het doel van Bruxelles-Attractions werd als volgt omschreven: ’Attirer les étrangers à Bruxelles, de leur rendre le séjour de la capitale aussi agréable que possible, et de donner ainsi plus d’extension au mouvement des arts, de l’industrie et du commerce.’ Statuts résumés des travaux depuis la fondation: rapport annuel 1888–1889 in map ‘Bruxelles-Attractions’ in BIB.G.016413/1.

30.     ’On y trouvera les conditions de séjour dans les principaux hôtels, l’adresse des particuliers ayant des appartements ou des chambres à louer, celle des commerçants se recommandant pour tel ou tel article spécial, un bureau de location pour les théâtres, des renseignements sur les fêtes organisées, sur les divers services d’utilité publique etc.’ Brief ’Bureau de renseignements gratuit’, s.d. in map ‘Bruxelles-Attractions’ in BIB.VLBL.HFI.B.143.03.

31.     Gazette van Gent, 13 januari 1889.

32.     Roger Miellet en Mieke Voorn, Winkelen in Weelde, warenhuizen in West-Europa, 1860–2000 (Zutphen: Walburg Pers, 2001) 35 en Gita Deneckere, “Graven in het geheugen van de Veldstraat,” in Veldstraat / Gent, red. Hendrik Defoort en Wout De Vuyst (Tielt: Lannoo, 2005), 21.

33.     Indicateur général des Railways Belges: Répertoire des principaux hotels, restaurants et cafés (1899): 1497 adressen voor Brussel, 51 adressen voor Gent. Map ‘Bruxelles-Attractions’ in BIB.VLBL.HFI.B.143.03.

34.     Jonckheere, “Grand Théâtre”, 133.

35.     Compagnie Immobilière de Belgique. 1863–1963 = Immobiliën Vennootschap van België. 1863–1963. (Brussel : Compagnie immobilière de Belgique, 1963) 12–14.

36.     Compagnie Immobilière, 14.

37.     Renieu, Histoire des theatres de Bruxelles, 229 en P. Roberts-Jones, red., Brussel, Fin de siècle (Antwerpen: Panodra, 1994) 22 en 26.

38.     Compagnie immobilière, 18 en De Meyer en Prims, Het Zuid.

39.     André De Poorter, Geschiedenis van de Belgische circussen: van Blondin tot Ronaldo (Tielt: Lannoo,1990), 19.

40.     Gazette van Gent, 2 december 1892.

41.     La Flandre Libérale, 14 maart 1894. Zie ook Gazette van Gent, 21 oktober 1903: over het kapitaal van de Cercle Equestre en hun beheerders.

42.     La Flandre Libérale, 1 februari 1895.

43.     Gazette van Gent, 11 januari 1897.

44.     Het podium was 9 meter breed en 15 meter diep. La Flandre Libérale, 14 maart 1894.

45.     Jonckheere, “Grand Théâtre”, 271.

46.     Zie de vakbladen in noot 74.

47.     La Flandre Libérale, 1 februari 1895: ‘Un buffet qui sera servi par la taverne Saint-Jean et le Central Tienda, et où l’on trouvera, nous assure-t-on, d’excellentes choses aux prix les plus abordable. (…) Il y aura également un café. A l’étage existe une grande salle de banquets et divers salons de sociétés.’; Jonckheere, “Grand Théâtre”, 270.

48.     Gazette van Gent, 16 februari 1900.

49.     Gazette van Gent, 7 februari 1895 en Gazette van Gent, 8 februari 1895.

50.     Op bepaalde variétéprogramma’s van het Nouveau Cirque stond de vermelding: Succursales: Hôtel De La Cloche: réunion artistes, salle 500 couverts.

51.     Jonckheere, “Grand Théâtre”, 173.

52.     Ibidem.

53.     Zie bijvoorbeeld de prijzen op een programmablaadje (VB Cirque IC237II) ca. 1900: Loges tussen 2 en 1,25 fr., Stalles tussen de 1,75 en 1 fr., Premières tussen de 1,75fr. en 0,50 fr., Secondes tussen de 0;60 en 0,25 fr. en Troisièmes tussen de 0,30 en 0,25 fr.

54.     Jonckheere, “Grand Théâtre”, 320.

55.     Harvey, Paris, Capital of Modernity, 224.

56.     Ibidem, 222.

57.     Jaap Van de Merwe, Gij zijt kanalje, heeft men ons verweten!: het proletariërslied in Nederland en Vlaanderen (Utrecht: Bruna, 1974), 33 en Erik Demoen, À la Vapeur, dat heet progres! Liederen van de industriële revolutie (Gent: Museum voor Industriële Archeologie en Textiel, 1985).

58.     “De boerenstand heeft van nature eene schrik van de groote winkels onzer steden en die pracht meent hij te moeten betalen.” Gazette van Gent, 6 januari 1889.

59.     Schwartz, Spectacular Realities, 6–7.

60.     Convents, Van kinetoscoop tot café-ciné, 261–353.

61.     Bovyn zou in 1885 de armenbelasting niet betaald hebben en in 1895 werd er een proces-verbaal tegen hem opgesteld omdat hij de hippodroom De Drie Sleutels, die sinds 1892 in zijn handen was, zonder toelating had omgebouwd tot een schouwburgzaal. Hierna richtte hij vanaf 1905 in Antwerpen het amusementscomplex ‘Anvers-Attractions’ op. Ook daar nam hij het niet zeer nauw met de wetgeving wat resulteerde in hevige twisten met het Antwerpse stadsbestuur. Gazette van Gent, 28 november 1888; 19 april 1895 en Stadsarchief Gent, Politiearchief, R 521–522.

62.     Convents, Van kinetoscoop tot café-ciné, 235.

63.     D. Berger e.a., Nachtraven, Het uitgangsleven in Brussel van 1830 tot 1940 (Brussel: Gemeentekrediet, 1987), 71.

64.     Peter Bailey, red., Music Hall. The Business of Pleasure (Milton Keynes: Open University Press, 1986), xix.

65.     Zie voor een gedetailleerd overzicht van de terminologie per land: Jonckheere, “Grand Théâtre”, 125, 233. Wat de Nederlandse terminologie betreft was er nauwelijks een verschil met België. Er werden eveneens Franstalige termen als ’café-concert’ of ’théâtre des variétés’ gebruikt.

66.     Gazette van Gent, 25 september 1889.

67.     Voor de Belgische context is bijvoorbeeld het archief van het Museum van Alijn, het Vleesmuseum, de Cinematek en het AMVC Letterenhuis bijzonder interessant.

68.     Het OCMW staat voor ’openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn’. In België bezit elke gemeente of stad over een OCMW dat sociale bijstand voorziet voor hulpbehoevenden.

69.     Terug te vinden onder A.R. Ministerie van Justitie. Vreemdelingenpolitie. Staatsveiligheid. Algemene dossiers. I. 160.

70.     Zie de website www.julesdebruycker.be voor een uitvoerig overzicht van het oeuvre van Jules De Bruycker.

71.     T.J. Clark, “A Bar at the Folies-Bergère,” in The Painting of Modern Life. Paris in the Art of Manet and his Followers (Londen: Thames and Hudson, 1985).

72.     Berman Marshall, All That is Solid Melts into Air, (London: Verso, 1983) 15.

Biografie

Evelien Jonckheere behaalde in 2007 de Vlaamse scriptieprijs voor de masterproef met als titel ‘Gentse Variététheaters van 1880 tot 1914’. De scriptie evolueerde tot de boekpublicatie Kijklust en sensatiezucht. Een geschiedenis van revue en variété (Meulenhoff/Manteau, 2009). In 2014 promoveerde ze aan de vakgroep Kunstwetenschappen van de UGent. Het proefschrift, dat in 2015 werd bekroond met de Cultuurprijs voor kunstgeschiedenis en archeologie van de provincie Oost-Vlaanderen, werd opnieuw uitgewerkt tot de publicatie Aandacht! Aandacht! Aandacht en verstrooiing in het Gentse Grand Théâtre, Café-concert en Variététheater, 1880–1914 (Leuven University Press, 2017).


Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.



Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.

ISSN: 2213-7653