A State Cinematographic Practice in Wartime

André van der Velden

Gezien na 107 jaar: Tuschinski’s eerste Thalia

Figure. 1

‘Overzicht van het reusachtige terrein, dat voor den bouw van het stadhuis te Rotterdam vrij komt, op de plaats waar eens de Zandstraat was.’ Dit is het originele bijschrift bij de foto, verschenen bij het artikel “Verdwijnend Rotterdam,” Het Leven: geïllustreerd 7, no. 39 (dinsdag 24 september 1912): 1238. Bron: Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/Het Leven/Fotograaf onbekend.

Op dinsdag 24 september 1912 werd bovenstaande foto van een stuk van de Rotterdamse binnenstad gepubliceerd in het geïllustreerde tijdschrift Het Leven. Rechts op de voorgrond zien we de kop van het Comediebruggetje over de nog niet gedempte Coolvest, tegenwoordig de Coolsingel. Aan de horizon van links naar rechts de Laurenskerk, het Witte Huis en de koepel van de Sint Dominicuskerk. Maar waar het om draaide voor het Het Leven was dat gapende gat in de bebouwing, centraal in beeld: een deel van het oude centrum ging tegen de vlakte. Het Zandstraatkwartier, een achterbuurt, beroemd en berucht vanwege zijn vele bordelen, danstenten en kroegen van twijfelachtig allooi, moest wijken voor het nieuwe stadhuis.

Anno 2018 heeft de herontdekking van deze foto opnieuw een zekere nieuwswaarde, al is het vooral voor filmhistorici. Het gebouw helemaal links op de voorgrond is namelijk Abraham Tuschinski’s eerste bioscoop. Van 1 augustus 1911 tot 1 juli 1912 runde hij hier aan de Coolvest 44 het Thalia Theater. De naam Thalia is op de foto nog leesbaar op de gevel, tussen de vensterrijen op de eerste en tweede verdieping. Voor de vensters op de eerste verdieping is een reclamedoek gespannen. Het lijkt beschadigd, wat doet vermoeden dat de foto gemaakt is nadat Tuschinski al was verhuisd met zijn bioscoop. Naar de Korte Hoogstraat, waar hij voor een kleine twee maanden het café-chantant Pschorr huurde om er filmvoorstellingen te geven. Ondertussen werd iets verderop, aan de Hoogstraat 323, een voormalig pakhuis omgebouwd tot het nieuwe Thalia. Op 20 augustus 1912 opende het voor het eerst zijn deuren voor het publiek.

Figure. 2

Interieur Thalia bioscoop, Coolvest 44 (1911-1912). Tuschinski Nieuws, 28 januari 1927, p. 6. Bron: Stadsarchief Rotterdam.

Tot op heden was er slechts één foto bekend van Tuschinski’s eerste Thalia aan Coolvest 44. Die werd eind januari 1927 afgedrukt in het weekblad Tuschinski Nieuws en geeft een indruk van het interieur van dit bioscoopje met haar 233 zitplaatsen.1 Ondanks de slechte beeldkwaliteit zijn er aardige details te ontdekken: de lambrisering met art nouveau motieven en borstbeelden rechts en links voorin de zaal. Dat waren bustes van koningin Wilhelmina en haar gemaal prins Hendrik. In 1927 schreef Tuschinski in zijn memoires dat hij die nep-marmeren beelden ‘omlijst door bloemen en groen’ liet plaatsen om Thalia meer cachet te geven, zodat ook het betere Rotterdamse publiek er naartoe zou willen komen.2 Maar misschien was dit slechts een mooi verhaal achteraf. Rie Brusse, destijds beroemd als journalist en onderzoeker van de zelfkant van de Rotterdamse samenleving, schreef dat juist de zo sjofele bewoners van de Zandstraatbuurt ‘haast zonder uitzondering gloeiend koningsgezind’ waren. ‘Je kunt er in geen knipje komen, in geen danszaal, op geen gestoffeerde kamer tweehoog-achter in een slopje, of er hangen de gekleurde portretten van de koninklijke familie.’3

Borstbeelden voor de sjiek of niet, duidelijk is dat Tuschinski’s eerste Thalia zich van geen kanten kon meten met het weelderige Theater Tuschinski in Amsterdam, dat hij tien jaar later zou openen. Logisch want het eerste Thalia Theater was slechts het prille begin van zijn loopbaan in de branche, die hoe dan ook in 1911 nog in de kinderschoenen stond in Nederland. Vraag is wel waarom Tuschinski in hemelsnaam een bioscoop startte in een afbraakbuurt. Locatie is immers cruciaal voor een bioscoop, zo zou je denken, zeker als de ambitie is om ook ‘het betere publiek’ te bedienen.

Dat het Zandstraatkwartier zou worden afgebroken, was al sinds 1909 bekend. Toen Tuschinski in maart 1911 aan Burgemeester en Wethouders toestemming vroeg om Coolvest 44 – een afgedankt kerkje – te verbouwen tot bioscoop, kreeg hij dan ook meteen te horen dat het pand op de slooplijst stond en hij daarom geen enkele aanspraak zou kunnen maken op een vergoeding als het eenmaal daadwerkelijk tegen de vlakte moest.4 Met andere woorden, Tuschinski wist heel goed waar hij aan begon. Waarom stak hij dan toch geld in de verbouwing van dit tijdelijke pand? Met zekerheid valt er niets over te zeggen, maar misschien had hij vooral haast. Haast, omdat er ineens de klad dreigde te komen in de business waar hij tot dan toe zijn geld mee verdiende.

Sinds 1907 exploiteerde Tuschinski samen met een aantal familieleden het Hotel Polski, een logement voor joodse landverhuizers die op doortocht waren naar de VS en Canada. Zoals bekend was Tuschinski zelf zo’n joodse migrant uit Russisch Polen, maar hij was blijven hangen in Rotterdam. Daar ging hij in augustus 1904 eerst als kleermaker aan de slag. In 1908 maakte hij de overstap naar het logementsbedrijf, zij het eerst nog als nevenactiviteit. Twee jaar bleef Tuschinski behalve als logementhouder óók werkzaam als kleermaker. Totdat Hotel Polski in de loop van 1910 kennelijk zo goed liep, dat hij naald en draad eraan kon geven.5

En toen, tegen het einde van nog datzelfde jaar 1910, pakten zich toch ineens donkere wolken samen boven het ondernemershoofd van Abraham Tuschinski. Debet daaraan was de Duitse overheid. Die trof een serie maatregelen, waardoor het voor migranten uit Oost- en Midden-Europa vrijwel onmogelijk werd om nog over Duits grondgebied naar Rotterdam te reizen. Althans, als die migranten het plan hadden om vanuit Rotterdam hun weg naar Amerika te vervolgen met een schip van de Uranium Steamship Company (USC).6 En juist van de passagiers van deze rederij moest Tuschinsk’s Hotel Polski het hebben. In tegenstelling tot de Holland Amerika Lijn (HAL), de andere rederij die vanuit Rotterdam een lijndienst op Noord Amerika onderhield, bezat de USC in de Maasstad geen eigen accommodatie waar zij haar passagiers kon onderbrengen in afwachting van de eerstvolgende afvaart. Dus zochten USC-passagiers hun toevlucht in de kleine, door derden geëxploiteerde landverhuizerslogementen in de Rotterdamse binnenstad, waar Hotel Polski er één van was. Zou nu voor de USC de ‘handel’ via Rotterdam opdrogen, dan was ook het einde in zicht voor die logementen.

Uiteindelijk liep het zo’n vaart niet. Het aantal migranten dat via Rotterdam naar Amerika reisde, kwam in 1911 uit op iets meer dan 60.000, wat er ongeveer 20.000 minder waren dan in het jaar ervoor. Maar dat bleek een tijdelijke dip, die de USC wist te overleven.7 In het prille voorjaar van 1911 was dat echter nog niet te voorzien. Op dat moment moest Tuschinski er serieus rekening mee houden dat zijn Hotel Polski op korte termijn nauwelijks meer een gast zou trekken. En dat terwijl hij kort te voren nog had geïnvesteerd in de uitbreiding ervan. Reden genoeg dus om op zoek te gaan naar een alternatieve bron van inkomsten, bij voorkeur iets dat snel te ontwikkelen viel, goed in de markt lag en op geen enkele manier afhankelijk was van de aanwezigheid van landverhuizers in de stad. Een bioscoop bijvoorbeeld. Sinds december 1910 begonnen die in Rotterdam ineens als paddenstoelen uit de grond te schieten. Volgens een tijdgenoot behoorde Tuschinski in deze periode tot de vaste bezoekers van het Casino Variété aan de Coolsingel.8 Dat was weliswaar niet één van die nieuw geopende bioscopen, maar wel een plek waar al jarenlang heel geregeld films onderdeel waren van het programma. Zeker als Tuschinski ook wel eens andere uitgaansgelegenheden bezocht in Rotterdam, zit het er dik in dat hem die plotselinge opkomst van bioscooptheaters snel is opgevallen. En dat hij daar alternatieve mogelijkheden in is gaan zien, toen Hotel Polski in zwaar weer terecht dreigde te komen. Bovendien: één van die nieuwe zaken, Bioscope Americain, lag aan de rand van het Achterklooster, een vervallen achterbuurt. Toch kreeg juist die bioscoop een opmerkelijk positief onthaal in de lokale pers en trok veel publiek, als je althans die positieve krantenberichten mocht geloven.9 Zou zoiets dan ook niet mogelijk zijn in dat leegstaande kerkje aan de Coolvest, zelfs al was het maar tijdelijk…?

Er is geen enkel hard bewijs dat de hier geschetste overwegingen daadwerkelijk en in de gesuggereerde samenhang hebben meegespeeld in Tuschinski’s besluit om van het pand op Coolvest 44 een bioscoop te maken. In zijn memoires repte Tuschinski met geen woord over de motieven die daaraan ten grondslag lagen. De enige, maar opnieuw slechts indirecte aanwijzing dat problemen met het landverhuizersverkeer er iets mee te maken hadden, is een vermelding in die memoires dat ene Simon Schanzer als stille vennoot duizend gulden investeerde in Tuschinski’s bioscooponderneming. Het Rotterdamse bevolkingsregister laat zien dat er indertijd slechts één persoon in de stad gevestigd was met die naam. En deze Simon Schanzer was net als Tuschinski zelf een joodse immigrant uit Oost Europa, die in Rotterdam een landverhuizerslogement dreef: Hotel Austria. Iemand dus die begin 1911 met zijn bedrijf in exact hetzelfde schuitje zat als Tuschinski met zijn Hotel Polski.10 Hoe het ook zij, na het loskomen van de gemeentelijke toestemming en een maanden durende verbouwing, kreeg Rotterdam per 1 augustus 1911 zijn volgende nieuwe bioscoop. Thalia. 107 jaar later weten we nu hoe die er van buiten heeft uitgezien.

Noten



1.     Tuschinski Nieuws, 28 januari 1927, p. 6.

2.     Tuschinski Nieuws, 21 januari 1927, p. 3.

3.     M.J. Brusse, Het rosse leven en sterven van de Zandstraat, (Rotterdam: W.L. & J. Brusse, 1912), 9.

4.     Stadsarchief Rotterdam, 294.01, Plaatselijke werken, bestanddeel 3262, ingekomen stukken betreffende bouwen door derden; 911 Bw. Plaatselijke werken, aanvraagnr. 294.01, bestanddeel 3122. Bouwresolutiën B&W, 4 april 1911, No. 505.

5.     Nelleke Manneke en Arie van der Schoor, Het grootste van het grootste. Leven en werk van Abraham Tuschinski (1886-1942), (Capelle aan den IJssel: Nelleke Manneke en Arie van der Schoor / H.A. Voet, 1997), 20.

6.     Al sinds 1903 hanteerde de Duitse overheid als regel dat vanuit Oost- en Midden Europa alleen landverhuizers werden toegelaten, die reeds een passagebiljet hadden voor een van de Duitse rederijen die vanuit Hamburg en Bremen op Noord Amerika voeren, voor de Britse Cunard Line (waarmee de Duitsers kartelafspraken hadden gemaakt om het passagiersverkeer langs de Noord-Atlantische route onderling te verdelen), of voor de Holland Amerika Lijn (HAL) te Rotterdam, die ten dele Duits eigendom was. Om op de naleving van de regel toe te zien, waren bij alle belangrijke grensposten in het Oosten en Zuiden van Duitsland controleposten ingericht. Maar er zat één maas in het net, bij Bazel. Daar was lange tijd géén controlepost. Tot in het najaar van 1910. Daarna moesten landverhuizers die vanuit Rotterdam met een USC-schip naar Amerika wilden, letterlijk een omweg maken rondom Duitsland, dus via Oostenrijk-Hongarije, Zwitserland, Frankrijk en België. Passagebiljetten van de USC waren echter zoveel goedkoper dan die van de andere rederijen, dat menig landverhuizer die extra omweg voor lief nam. Begin 1911 troffen de Duitsers een volgende maatregel: alle Russische landverhuizers die nog wel over Duitse grondgebied reisden, moesten voortaan in het bezit zijn van een diplomatieke pas, af te geven door de Russische regering. Over deze maatregelen, de achtergronden ervan en de moeilijkheden die ze opleverden voor het landverhuizersverkeer, zie onder andere: “Landverhuizersverkeer door Pruisen,” Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant, 29 december 1910; “Pruisen en de Russische landverhuizers,” Nieuwe Apeldoornsche Courant, 28 februari 1911; “Landverhuizersverkeer door Pruisen,” Nieuwe Rotterdamsche Courant, 4 maart 1911.

7.     Cees Zevenbergen, Toen zij uit Rotterdam vertrokken: emigratie via Rotterdam door de eeuwen heen (Zwolle: Waanders, 1990), 45. De gegeven cijfers zijn gebaseerd op de verslagen van de Commissie van Toezicht op den Doortocht en het Vervoer van Landverhuizers, die – aldus Zevenbergen – met enige reserve bekeken moeten worden, omdat niet altijd duidelijk was wie als landverhuizers moesten worden beschouwd.

8.     De tijdgenoot in kwestie was Toon de Jager, die indertijd als elektricien in het Casino Variété werkte. Begin jaren twintig trad hij in dienst bij Tuschinski en werd na enige tijd diens persoonlijke chauffeur. AVROSKOOP, aflevering “Toen in Tuschinski”, AVRO-televisie, uitgezonden 6 oktober 1971, Beeld en Geluid, document ID 24585, http://in.beeldengeluid.nl/collectie/details/expressie/184303/false/true. Zie ook: Henk Berg, Over stalles en parket. Rotterdam en het witte doek, (Rotterdam: Ad. Donker, 1996), 46-47.

9.     Zie bijvoorbeeld “Stadsnieuws, Bioscope Americain,” Rotterdamsch Nieuwsblad, 6 februari 1911, 6e Blad, p. 1; “Stadsnieuws, Bioscope Americain,” Rotterdamsch Nieuwsblad, 12 april 1911. 4e Blad, p. 1; “Stadsnieuws, Bioscope Americain,” Rotterdamsch Nieuwsblad, 6 juni 1911. 4e Blad, p. 1.

10.     André van der Velden, “Vijftien jaar van het leven van Abraham Tuschinski (1886-1942). Tekst en context van een zogenaamde autobiografie,” Tijdschrift voor sociale en economsiche geschiedenis 1, no. 3 (2004): 93-95.

Biografie

André van der Velden is als mediahistoricus verbonden aan het departement Media- en Cultuurwetenschappen van de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar filmcultuur en theater tijdens het Interbellum. Op dit moment houdt hij zich vooral bezig met de ontwikkeling van het filmbedrijf in Rotterdam en de carrière van Abraham Tuschinski.


Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.



Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.

ISSN: 2213-7653