Inleiding

Bregt Lameris & Ivo Blom

Inleiding. Waanzin & media

‘Er komen steeds meer aanwijzingen voor de tot voor kort omstreden gedachte dat het gebruik van moderne media zoals internet, social media en smartphones verband houdt met daaraan gerelateerde persoonlijkheids- en stemmingsstoornissen. Zo stelt de Amerikaanse hoogleraar psychologie Larry D. Rosen dat het voortdurend versturen van sms’jes, controleren van Facebook-berichten en een voorkeur voor “multitasken” gelijkenissen vertoont met de symptomen van psychiatrische stoornissen zoals zware depressies, dysthymie en manie. Op vergelijkbare wijze meent de Vlaamse psychiater Dirk de Wachter dat onze volledig door televisie, computers en mobiele telefoons doordrongen cultuur overeenkomsten vertoont met de borderline persoonlijkheidsstoornis’.

Zo opent Elke Müller haar artikel ‘Tijdgeestziekten en hun technologische pharmakon’ in dit themanummer over waanzin en media. Je kunt je inderdaad afvragen of de intensiteit waarmee sommigen van ons sociale media gebruiken nog wel ‘normaal’ is. Anderzijds is het verschil tussen normaal en abnormaal niet zo absoluut als het lijkt. Wat we normaal vinden of niet is voortdurend aan verandering onderhevig. Daarmee verschuiven tevens onze opvattingen over wat ‘gek’ en wellicht dus ook ‘geestesziek’ is. Misschien vinden we na tien jaar intensief gebruik ervan, sociale media doodnormaal of zijn we er weer vanaf gestapt. Niets maakt dit soort processen zo goed duidelijk als een blik op de geschiedenis. Net als Müller hanteren we in dit nummer vooral een cultuurhistorisch perspectief, waarbij constanten, variaties en verschillen synchroon en diachroon worden aangegeven; dus door de tijd heen, maar ook tegelijkertijd op verschillende locaties.

Waanzin is altijd een dankbaar onderwerp geweest voor verhalen en films. In de negentiende en twintigste eeuw was dit thema bijvoorbeeld populair in de representatie van uitvinders en wetenschappers, meestal in negatieve, geëxalteerde versies zoals in Shelley’s Dr. Frankenstein en Stevensons Dr. Jekyll and Mr. Hyde. Deze ‘mad scientist’ vindt zijn evenknie in de geschifte kunstenaar, die het model opoffert ten gunste van het kunstwerk of het model vermoordt als ze het verhevene van het kunstwerk of zijn ideaalbeeld bezoedelt. Een voorbeeld is de film the dying swan/ umirayushchii lebed (Yevgeni Bauer, 1917) waarin een beeldhouwer zijn model vermoordt omdat ze is veranderd en niet meer voldoet aan zijn beeld van de melancholische Stervende Zwaan. Daarnaast komen vergelijkbare verhaallijnen veel voor in Italiaanse zwijgende films uit dezelfde periode.1 Maar ook Amerikaanse gothic melodrama’s en film noir uit de jaren veertig en vijftig laten dit thema volop zien, zoals in the two mrs. carrolls (Peter Godfrey, 1947).2 Daarnaast is het thema van de neurotische, tot waanzin gedreven huisvrouw tot op de dag van vandaag zeer populair. Denk hierbij aan een serie als desperate housewives (Marc Cherry, 2004-2012) waarin meerdere vormen van ‘huisvrouwengekte’ te zien zijn zoals neurotisch gedrag, depressie en alcoholisme. Waanzin kan echter ook verbeeld worden in mildere, meer positieve versies, waarbij we het personage als ‘licht gestoord’ of ‘excentriek’ kunnen aanduiden. Vaak gaat het om oudere, blanke heren met verwilderde haren en een doktersjas. Denk aan de astronomen van Georges Méliès, de professoren Dr. Joachim Sickbock en professor Zbygniew Prwytzkofsky bij Marten Toonders Bommel-strips of de uitvinder Dr. Emmett Brown van back to the future (Robert Zemeckis, 1985). Niet te vergeten zijn de ‘gevaarlijke gekken’, de tegenspelers van actiehelden van Bond tot Batman: gefascineerd door moderne technologie, maar dan uitsluitend om op nietsontziende wijze de heerschappij over een stad, land of de wereld te veroveren. Vaak worden deze antagonisten gesecondeerd door een geniale maar geschifte en boosaardige geleerde of door wetenschappers die worden gedwongen de benodigde technologie aan te leveren. Ten slotte kan film het beeld van wie nu de waanzinnige is kantelen tijdens de plot, zoals we zien bij das cabinet des dr. caligari (Robert Wiene, 1920) en shutter island (Martin Scorsese, 2010), waarin het niet de antagonistische wetenschapper maar de hoofdpersoon is die waanzinnig blijkt te zijn.

Deze representaties van gekte in film zijn regelmatig object van studie geweest. Die studies zijn uitgevoerd door wetenschappers afkomstig uit allerlei vakgebieden en disciplines. Allereerst natuurlijk uit het veld van de film- en mediawetenschappen zelf, zoals Images of Madness: The Portrayal of Insanity in the Feature Film (Fleming en Manvell, 1985) en Psychiatrie im Film (Hans Jürgen Wulff, 1985).3 Maar ook psychologen en psychiaters schreven over de representatie van hun eigen vakgebied. Zo is er in 2009 een compleet themanummer van de International Review of Psychiatry gewijd aan de representatie van gekte en van psychiatrie in de film.4 Deze beide scholen komen samen in het boek Psychiatry and the Cinema uit 1999 van Glen (psychiater) en Krin (cultuurhistoricus) Gabbard.5 Niet alleen de representatie van gekte in de fictiefilm wordt echter bestudeerd. Ook non-fictie, zoals documentaires, berichtgeving in kranten en in het televisiejournaal zijn onderzocht. Psycholoog Otto Wahl schreef hierover Media Madness. Public Images of Mental Illness (1995), een boek met meer een communicatiewetenschappelijke en sociologische insteek dan een cultuuranalytische.6 Wat dat betreft sluit het goed aan bij een vergelijkbare studie uit 1996 door Greg Philo: Media and Mental Distress. Dit boek bundelt de resultaten van een door de Glasgow Media Group uitgevoerd onderzoek naar de relaties tussen representaties van gekte in krantenberichten en soaps en de opvattingen die in de maatschappij leven over gekken en gekte.7 Ten slotte is de relatie tussen de representatie van gekte en gender een veelvuldig onderzocht onderwerp. Aangezien in de westerse maatschappij de blanke man de norm was (en is), zijn vrouwen vrijwel per definitie gek. Een voorbeeld van een studie naar deze mechanismen is het boek van Stephen Harper uit 2009: Madness, Power and the Media. Class, Gender and Race in Popular Images of Mental Distress.8

Omdat deze kanten van media en gekte relatief veel zijn onderzocht en beschreven, willen we in dit nummer van tmg het onderwerp media en gekte juist vanuit andere invalshoeken belichten. Dit impliceert dat vooral de minder voor de hand liggende media besproken zullen worden. In plaats van een serie filmanalyses, biedt dit nummer een gevarieerd spectrum aan besproken media dat zich uitstrekt van advertenties tot geluid en van fotografie tot de vibrator. Daarnaast biedt het nummer behalve artikelen over moderne en eigentijdse onderwerpen ook bespreking van ontwikkelingen van ruim een eeuw geleden. Al vanaf het eind van de negentiende eeuw namelijk zijn film en fotografie in de neurologie gebruikt om bijvoorbeeld hysterie vast te leggen en zo te kunnen analyseren en aan collega’s en studenten te kunnen tonen. Binnen verschillende artikelen zult u daarbij één naam vaker zien terugkomen, die van Jean-Martin Charcot (1825-1893). Hij was een van de grondleggers van de neurologie en een van de belangrijkste wetenschappers op dat gebied. Charcot is buiten neurologische kringen vooral bekend om zijn onderzoek naar hysterie en het gebruik van hypnose in zijn behandeling hiervan. Hij maakte tevens veelvuldig gebruik van visualisaties door middel van fotografie. De patiëntenfoto’s die in zijn ziekenhuis La Salpêtrière in Parijs gemaakt werden publiceerde hij in het in 1875 opgerichte blad Iconographie photographique de la Salpêtrière dat tot 1880 verscheen. In 1888 kende het blad een doorstart onder de naam Nouvelle Iconographie de la Salpêtrière.9 Hierdoor zijn de afbeeldingen inderdaad tot iconen geworden van het vroege gebruik van fotografie in de neurologie. Het ‘Nachleben’ van Charcot via zijn leerlingen en navolgers (waaronder Sigmund Freud en Georges Gilles de la Tourette) of van collega’s die in andere delen van de wereld met vergelijkbare zaken bezig waren is echter in het historisch onderzoek nog onderbelicht gebleven. Daarover meer in het artikel van Bregt Lameris. Zij laat zien dat naast Charcots fotograaf Albert Londe diverse anderen ook fotografie gebruikten voor onderzoek naar geestesziekten. Haar eigen case is die van Robert Sommer die voor zijn onderzoek naar afwijkingen in de fysiognomie stereofotografie inzette, vanuit de gedachte van een objectieve weergave. Tegelijkertijd geeft Lameris aan, dat alhoewel Sommers werk binnen het paradigma van mechanische objectiviteit geplaatst kan worden, de interpretatie en de presentatie van de beelden binnen het principe van trained judgment vallen. Sommers werk valt dus te duiden vanuit verschillende perspectieven op objectiviteit en wetenschap. Lees hierbij ook de teksten in het dossier over vier bijzondere collecties neurologische films, die alle vier duidelijk raakvlakken hebben met het werk van Charcot.

Waanzin kan echter ook slaan op de gekmakende kant van media. Een teveel aan impulsen vanuit film, tv of games of juist de verkeerde impulsen (inspiratie om over te gaan tot misdaad) wordt nogal eens gebruikt om deze media in diskrediet te brengen. Over het discours over de verkeerde impulsen hoeft men maar te denken aan het effect van taxi driver (Martin Scorsese, 1974) op John Hinckley of dat van games op de moordende jongeren op Columbine High.10 Over het discours over teveel – niet van beeld, maar van geluid, in het bijzonder bij radio – gaat het artikel van Carolyn Birdsall en Senta Siewert. Voorbeelden die zij uitwerken zijn de zogenoemde Radiotismus in Duitsland in de jaren twintig (nervositeit onder vrouwen vanwege een ‘overkill’ aan radio) of het verhaal over de massahysterie die zou zijn ontstaan door het radioprogramma war of the worlds (1938) van Orson Welles. Birdsall en Siewert verbinden dit met Michel Chions term ‘acousmatisch’: we horen geluid maar kunnen de bron daarvan (voorlopig) niet achterhalen, en dat kan ons beangstigen. Ben Singer schreef in het verleden al over ‘hyperstimulus’ aan het begin van de twintigste eeuw, namelijk het overstimuleren van de zintuigen in de moderne stedelijke omgeving door de overdaad aan mediale bronnen. Dit werd weer gereflecteerd in de films uit diezelfde periode.11 De overdaad aan advertenties op tv en internet (bijvoorbeeld bij het bekijken van nieuwsitems op krantensites of films op YouTube) vandaag de dag is hiermee te vergelijken.

Media kunnen ook het platform zijn om waanzin aan te wakkeren en zo commercieel uit te buiten. Gemma Blok en Rose Spijkerman maken in hun bijdrage over neurasthenie en de zogeheten Pink Pillen duidelijk, hoe men aan het begin van de twintigste eeuw handig gebruik maakte, en mogelijk zelfs bijdroeg, aan de zogenoemde zenuwziekte onder vooral vrouwen. Elke Müller sluit hierbij aan met haar onderzoek naar het gebruik van elektrotherapie en de eerste vibrators ter bestrijding van hysterie en naar legervideogames bij de behandeling van posttraumatisch stress-syndroom. Müller hanteert daarbij de term van pharmakon om aan te geven dat sommige media worden gezien als helend en schadelijk tegelijkertijd.

Kunstenaars hebben niet alleen in de representatie van waanzin een rol gespeeld. Ze kunnen zelf ook een onderzoekende rol vervullen. In haar artikel ‘The tv is Talking to Me!’ geeft Jennifer Kanary-Nikolov(a) aan hoe men door de jaren heen simulaties van schizofrenie heeft gebruikt om de schizofrene psyche beter te kunnen begrijpen. Enerzijds kunnen medici zo kennis opdoen door proefondervindelijk te zien en ervaren wat de patiënt ziet en ervaart. Anderzijds kunnen familie en vrienden meer begrip krijgen voor de situatie van de patiënt, door zelf te ervaren wat deze meemaakt. Kanary bespreekt eerst voorbeelden van anderen (Paved with Fear, Virtual Hallucinations en Mindstorm 3D: A Virtual Hallucination) en confronteert die dan met voorbeelden uit haar eigen werk, zoals Intruder 2.0. Door met de ogen van een kunstenaar te kijken introduceert Kanary een bredere en andere blik op deze problematiek dan haar voorgangers. Deze andere invalshoek zorgt echter weer voor nieuwe problemen en uitdagingen. Kanary laat in haar artikel zien hoe ze daar als kunstenaar in haar eigen werk mee is omgegaan en welke lessen ze hieruit trok.

Dit themanummer is een bevestiging van een ontwikkeling binnen de mediageschiedenis. Daarbinnen worden steeds meer de raakvlakken opgezocht met disciplines buiten de klassieke paden van de voorheen vaak monomediale, deels in zichzelf gekeerde pers-, film- en televisiegeschiedenis. Dat heeft bijvoorbeeld bij het medium film te maken met een lange fixatie op speelfilm, op de vrije, artistieke documentaire, en op de mainstream, in bioscopen vertoonde, cinema. Hoe zit het echter met de – vaak in opdracht gemaakte – wetenschappelijke films, die geregeld buiten het gewone bioscoopcircuit om gemaakt en vertoond zijn geweest? Hoe interessant is dit genre binnen het totaal van de mediageschiedenis? Hoe dwingt het ons onze bestaande blik te verruimen en bij te stellen? Hoe ontwikkelde dit genre zich, hoe kwamen de films tot stand? Waar werden ze vertoond en welke impact hadden ze? En niet in het minst: is er nog wat van over en kunnen wij dat zelf ook zien?

Was er in voorafgaande decennia op beperkte schaal al aandacht voor bijvoorbeeld film en neurologie, in de laatste jaren heeft dit zich geïntensiveerd. Dit heeft niet alleen bij wetenschappers geleid tot meer onderzoek en publicaties maar ook bij archieven in het erkennen en veiligstellen van films over neurologie. Vandaar dat we in dit nummer een dossier hebben opgenomen met een overzicht van vier prominente collecties neurologische films: de Collectie Magnus-Rademaker van het Nederlands Instituut voor Beeld & Geluid in Hilversum, de Collectie Van Gehuchten van de Cinematek (vh. Koninklijk Filmarchief) te Brussel, de Collectie Neri in het Home Movies archief in Bologna en de Collectie Negro van het Museo Nazionale del Cinema in Turijn. Dit dossier pretendeert geenszins een volledig overzicht van dergelijke collecties te bieden. Wel gaat het om vier collecties waar juist de laatste jaren filmmateriaal van geconserveerd is. Conservering en erfgoedbewustwording hebben ook gezorgd voor een klein netwerk van wetenschappers en archiefmedewerkers. Dat heeft zich recentelijk gemanifesteerd bij de Magis - International Film Studies Spring School in Gorizia, Italië, in maart 2012. Daarbij werd een workshop en een eendaagse conferentie georganiseerd rond het onderwerp ‘Beyond the Film Heritage: The Early Medical Cinema between Media Landscape, Art History and Archive Theory’. Diverse auteurs van de dossierteksten waren hierbij betrokken (Lorusso, Venturini, Dagna, Hielscher, Koehler), evenals Bregt Lameris. Mediageschiedenis en medische geschiedenis kunnen op deze manier nog veel van elkaar leren.

Noten



1     Ivo Blom, ‘Of Artists and Models: Painters and Sculptors in Italian Silent Cinema’, Acta Sapientiae Universitatis. Film and Media Studies, 6,2013.

2     Susan Felleman, ‘Moving Picture Gallery’, Le portrait peint au cinéma. Iris, no. 14-15, herfst 1992, pp. 193-200; Susan Felleman, Art in the Cinematic Imagination, University of Texas Press, Austin 2006; Steven Jacobs, Framing Pictures. Film and the Visual Arts, Edinburgh University Press, Edinburgh 2011.

3    M. Fleming & R. Manvell, Images of Madness: The Portrayal of Insanity in the Feature Film, Associated University Presses,New Jersey 1985; Hans Jürgen Wulff, Psychiatrie im Film, Maks Publikationen, Münster 1985.

4     International Review of Psychiatry, vol. 21, no. 3, 2009.

5     Glen Gabbard & Krin Gabbard, Psychiatry and the Cinema, University of Chicago Press, Chicago 1987.

6     Otto Wahl, Media Madness. Public Images of Mental Illness, Rutgers University Press, New Brunswick New Jersey 1995.

7     Greg Philo (ed.), Media and Mental Distress, Longman, London/New York 1996.

8     Stephen Harper, Madness, Power and the Media. Class, Gender and Race in Popular Images of Mental Distress, Palgrave MacMillan, New York 2009.

9     Désiré-Magloire Bourneville & Paul Regnard, Iconographie photographique de la Salpêtrière, 1875-1880 & Nouvelle Iconographie de la Salpêtrière, Masson & Cie., Parijs 1888-1918.

10     Maaike Lauwaert, Joseph Wachelder, Johan van de Walle, ‘Computerspellen en de geschiedenis van angst. Het gebruik en misbruik van historische vergelijkingen’, Tijdschrift voor Mediageschiedenis, 7-2, 2004, pp. 31-52.

11     Ben Singer, ‘Modernity, Hyperstimulus, and the Rise of Popular Sensationalism’, in: Leo Charney, Vanessa R. Schwartz (eds), Cinema and the Invention of Modern Life, University of California Press, Berkeley/London 1995, pp. 72-102.



Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.

ISSN: 2213-7653