Stereoskopie

Bregt Lameris

‘Die Betrachtung der optischen Erscheinungen, welche die Geisteskranken bieten’

Prof. Dr. Robert Sommer (1864-1937) en de ‘Stereoskopphotographie’ als wetenschappelijk instrument in de psychopathologie.1

‘De stereoscopie in het bijzonder en de fotografie in het algemeen zijn in de ware zin van het woord het oog van de wetenschap geworden en worden het elke dag meer! Alleen de toekomst zal ons leren, wat voor geweldige oplossingen er nog zullen komen’.2

Fysiognomie

Bij medische fotografie en geestesziekten denken de meeste mensen waarschijnlijk vrij snel aan hysterie, Parijs, het Hôpital de la Salpêtrière en Dr. Jean-Martin Charcot. Charcot (1825-1893) was dan ook, met zijn staf waaronder zijn fotograaf en technicus Albert Londe, van groot belang in de ontwikkeling van medische fotografie bij neurologische aandoeningen, waar hysterie in die tijd ook toe gerekend werd.3 Hij was echter bij lange na niet de enige. Ook in andere landen en door andere artsen werd optische technologie ingezet bij het onderzoek naar geestesziekten. In Nederland en België is een aantal voorbeelden te vinden van dergelijke praktijken, en ook in Duitsland werd veelvuldig gefotografeerd en gefilmd.4 Een van de plaatsen waar fotografie als medisch instrument werd ingezet in het onderzoek naar geestesziekten was de Psychiatrische und Nerven Klinik in Gießen.5 Toen de kliniek in 1895 werd gesticht, stelde men de toen 31-jarige wetenschapper Dr. Robert Sommer aan als directeur.6 Hij was, in navolging van Wundt en Kraepelin, een voorstander van de experimenteel-psychologische methode, die hij ook in de dagelijkse praktijk van de kliniek in Gießen toepaste. Dit hield in dat hij de diagnostische werkzaamheden standaardiseerde door middel van formulieren en vragenlijsten. Daarnaast maakte hij gebruik van wetenschappelijke apparatuur waaronder de fotografie. De fotografie zette hij onder meer in bij het onderzoek naar de fysiognomie van zijn patiënten. Het onderzoek naar de fysiognomie van waanzin ging uit van een directe relatie tussen lichaam en geest, tussen innerlijk en uiterlijk. Aanvankelijk werd fysiognomie vooral in verband gebracht met ‘emoties’. Sinds eind achttiende eeuw werd deze manier van werken ook gangbaar in het onderzoek naar waanzin en gekte. Johann Gaspar Lavater wordt gezien als een van de grondleggers hiervan. Bekende onderzoekers uit de negentiende eeuw zoals Phillipe Pinel, Jean Etienne Dominique Esquirol en Emil Kraepelin worden ook tot deze school gerekend.7 Tegenwoordig wordt fysiognomie als pseudowetenschap beschouwd. Wetenschap moet wat dat betreft echter altijd in haar tijd worden gezien.

Optische methodes en objectiviteit

Opmerkelijk is dat Sommer in het geval van de fotografie koos voor het gebruik van de Stereoskopphotographie ofwel de stereoscopie. Deze technologie werd in 1851 gepresenteerd, waarna ze snel uitgroeide tot een van de populairdere optische speeltjes in die tijd. De werking ervan is relatief eenvoudig. Met behulp van een dubbellenzige camera worden gelijktijdig twee foto’s gemaakt vanuit licht afwijkende hoek. Door de foto’s daarna met een stereoscoopviewer te bekijken, ontstaat een driedimensionaal effect. Alhoewel deze technologie vooral als negentiende-eeuws vermaak te boek staat, werd ze tevens ingezet in de medische wetenschap en in de sterrenkunde.8 Ook Robert Sommer gebruikte de Stereoskopphotographie voor zijn wetenschappelijk werk. Daarnaast schreef hij theoretische verhandelingen over het inzetten en de functie van diverse meetinstrumenten in de psychiatrie. In zijn Lehrbuch der Psychopathologischen Untersuchungs-methoden uit 1899 beschrijft hij bijvoorbeeld uitgebreid hoe men reflexen kan meten met de zogenaamde ‘Motorisch-Graphische’ methode en hoe verbale uitingen met grammofoon en optische verschijnselen met optische methodes geregistreerd kunnen worden.9 Deze optische methodes bestonden uit de fotografie, de cinematografie en natuurlijk de stereoscopie.

Sommers voornaamste argument voor een meer gestandaardiseerde en gemechaniseerde manier van werken was om de verschillen tussen waarnemingen zo klein mogelijk te houden: ‘de methode van onderzoek moet voor alle waarnemers enigszins gelijk geregeld zijn, waardoor het subjectieve element zoveel mogelijk vermeden kan worden bij de optekening van de verschijnselen’.10

Het subjectieve in de wetenschap diende dus zoveel mogelijk te worden uitgesloten. Sommers streven om de subjectiviteit uit het onderzoek te weren impliceert dat hij objectiviteit nastreefde. In hun boek Objectivity uit 2007, geven Lorraine Daston en Peter Galison aan dat een dergelijk streven redelijk gangbaar was sinds de tweede helft van de negentiende eeuw. Het was namelijk in deze periode dat het discours van de ‘wetenschappelijke objectiviteit’, dat sinds de zeventiende eeuw langzaamaan in opkomst was, ook in de medische wetenschap dominant werd.11 Daston en Galison geven echter aan dat ‘objectiviteit’ een zeer complex begrip is, dat in de loop der tijd veel verschillende betekenisinhouden heeft gekregen. Opvallend hierbij is dat het begrip objectiviteit als ‘kennis zonder sporen van de kenner’ pas halverwege de negentiende eeuw een rol ging spelen in het discours over wetenschap. Daston en Galison beschrijven die negentiende-eeuwse ‘wetenschappelijke objectiviteit’ als volgt: ‘To be objective is to aspire to knowledge that bares no trace of the knower – knowledge unmarked by prejudice or skill, fantasy or judgment, wishing or striving. Objectivity is blind sight, seeing without inference, interpretation, or intelligence’.12

Objectiviteit betekende sinds de tweede helft van de negentiende eeuw dat onderzoekers streefden naar de ontwikkeling van kennis waarbij zij hun eigen subjectiviteit volledig uitsloten. Deze objectiviteit kon op meerdere manieren en via verschillende wetenschappelijke methoden tot stand komen. Tevens ontstonden wetenschappelijke methoden en apparatuur die de invloed van het wetenschappelijk subject zoveel mogelijk moesten uitsluiten bij onderzoek en waarneming. Voorbeelden hiervan zijn wetenschappelijke tests, meetapparatuur en registratie-instrumenten.13 In alle gevallen werd objectiviteit gezien als, in de woorden van Daston en Galison, blind sight, zien zonder sporen van een ziener, met als resultaat kennis zonder sporen van een kenner.14 Daston en Galison koppelen deze vorm van wetenschappelijke objectiviteit dus direct aan het kijken, en zo aan de praktijk van de visualisatie en dus van illustraties, beelden en optische technologieën in de wetenschap. De vraag is nu hoe Sommers gebruik van Stereoskopphotographie als wetenschappelijk instrument zich verhield tot de heersende opvattingen over wetenschappelijke objectiviteit.

De invullingen en definities van objectiviteit van wetenschappelijke visualisaties zijn aan veranderingen onderhevig. Ook in de periode voordat het paradigma van wetenschappelijke objectiviteit dominant werd, bestond een rijke traditie van wetenschappelijk beeld, met de bijbehorende filosofieën over de functie ervan.15 Daston en Galison kenmerken die voorgaande periode als één waarin men streefde naar truth-to-nature. Dit houdt in dat visualisaties gebaseerd werden op de waarnemingen van de natuur, in combinatie met wetenschappelijke en theoretische kennis hierover. Een illustratie diende hierbij niet een uniek object te reflecteren, maar toonde de karakteristieke en essentiële kenmerken van een verschijnsel. Het toonde het universele en het typerende.16 Deze manier van werken was (en is) bijvoorbeeld gangbaar in de plantkunde, waarbij in één tekening de kenmerken van de soort worden afgebeeld, vaak inclusief de verschillende stadia van een plant door het jaar heen.17

In de periode vanaf 1900 werd het paradigma van de wetenschappelijke objectiviteit langzaamaan overvleugeld door een andere epistemologische waarde die Daston en Galison trained judgment noemen. Deze laatste werd gekenmerkt door een introductie van het onderbewuste in de wetenschap. ‘Scientists (...) began to invoke and celebrate “intuitive” criteria for sorting and solving’.18 Het intuïtief indelen van bijvoorbeeld gezichten in bepaalde categorieën is door Ludwig Wittgenstein aangeduid als family resemblance, ofwel ‘the partially overlapping features without a necessary and sufficient “core” set of properties’.19 Het idee achter trained judgment is dat het herkennen van die familiegelijkenissen getraind wordt, zodat het ‘normale’ kan worden onderscheiden van het pathologische.

In het hierbovenstaande worden de drie epistemische waarden van truth-to-nature, mechanische objectiviteit en trained judgment los van elkaar beschreven. Daston en Galison geven in hun boek echter ook aan dat in de geschiedenis nooit sprake is van een strikte opeenvolging van ideeën en paradigma’s. Eerder lopen paradigma’s door elkaar en bouwen ze op elkaar voort. Dat is ook hier het geval. ‘The emergence of objectivity as a new epistemic virtue in the mid-nineteenth century did not abolish truth-to-nature, any more than the turn to trained judgment in the early twentieth century eliminated objectivity’.20

Robert Sommer was actief rond 1900, een periode waarin het truth-to-nature discours reeds was overvleugeld door dat van de mechanische objectiviteit. Trained judgment keek in deze periode echter al om de hoek, en beïnvloedde zo de heersende opvattingen over wetenschap en objectiviteit. Interessant is nu de onderlinge relatie tussen deze epistemische waarden en de manier waarop ze in wisselwerking stonden met Sommers theoretische en praktische werk.

Om dit te onderzoeken is het van belang om zowel Sommers theoretische verhandelingen als zijn foto’s te analyseren. Gelukkig is een deel van de foto’s bewaard gebleven in de patiëntendossiers van de kliniek in Gießen (afbeelding 1).21 Daarnaast lijkt er ook een speciale fotografische collectie te hebben bestaan. Het in de kliniek gebruikte patiëntenformulier behelsde namelijk het kopje ‘Photographische Sammlung’, waaronder kon worden aangegeven of iemand wel of niet gefotografeerd was (afbeelding 2).22 In meerdere dossiers waarin vermeld staat dat een patiënt is gefotografeerd, zijn geen foto’s aangetroffen. Ook zijn foto’s die niet in de dossiers voorkomen, terug te vinden in publicaties van Sommer en zijn collega’s. Een voorbeeld is de in 1902 verschenen Atlas der Geisteskrankheiten im Anschluß an Sommer’s Diagnostik der Geisteskrankheiten.23 Deze atlas werd samengesteld door Sommers assistent August Alber. Alber nam tevens het grootste deel van de fotografie voor zijn rekening tot hij in 1903 uit Gießen vertrok.24 De foto’s uit deze publicaties zijn niet allemaal terug te vinden in de patiëntendossiers. Dit alles wijst op de aanwezigheid van een losse fotoverzameling, waaruit geput werd voor het academische werk. Deze fotocollectie is tot op dit moment echter niet teruggevonden.

Voorbeeld van foto’s zoals teruggevonden in dossier

Afbeelding 1: Voorbeeld van foto’s zoals teruggevonden in dossier (bron: het archief van de Gießen-kliniek)

Foto van dossier met aantekening ‘ist photographiert’

Afbeelding 2: Foto van dossier met aantekening ‘ist photographiert’ (bron: het archief van de Gießen-kliniek)

Psychopathologie en wetenschappelijke objectiviteit

‘We bekijken eerst de optische verschijnselen die de geesteszieken ons bieden, en behandelen die daarna op dezelfde manier als objecten van andere natuurwetenschappelijke onderzoekingen’.25

Zoals al blijkt uit het bovenstaande citaat, plaatste Sommer de psychopathologie, de leer van de geestesziekten, binnen de ‘andere’ natuurwetenschappen waar de wetenschappelijke objectiviteit al een vanzelfsprekendheid was. Door verschillende observatiemethodes ontstonden echter verschillen in resultaten. Daarom vond hij een gestandaardiseerde methode van onderzoek noodzakelijk. Deze kon dan door alle psychiaters op dezelfde manier worden ingezet. Alleen op die manier kon het ‘subjectieve herkend worden’ en ‘vergelijkbare resultaten worden bereikt’.26 Voor Sommer impliceerde deze methode het veelvuldig gebruik van apparatuur om waarnemingen te registreren. Sommer beschikte dan ook over een grote verzameling registratiemethoden, waaronder de Stereoskopphotographie. Zijn liefde voor deze technologische snufjes kwam onder andere tot uiting in de tentoonstelling van ‘Experimental-psychologische Apparate und Methoden’ die hij in 1904 presenteerde bij het eerste congres van de ‘Gesellschaft der experimentelle Psychologie’.27 In tegenstelling tot de subjectieve wetenschapper hadden apparaten geen eigen wil, ze waren vrij van theoretische kennis en ze konden niet speculeren. Of, zoals Daston en Galison het uitdrukken: ‘Machines embodied the (...) ideal of noninterventionist objectivity’.28

De psychopathologie wilde echter vooral informatie verkrijgen over de binnenkant van het lichaam, de hersenen en het zenuwstelsel. Die binnenkant kon strikt genomen niet worden ‘bekeken’. Daarom hanteerde men een methode die psychopathologisch parallellisme werd genoemd. Hierbij ging men er vanuit dat problemen en afwijkingen binnenin het lichaam, zichtbare tics en andere motorische storingen aan de buitenkant met zich meebrachten.29 Sommer zelf schreef hierover: ‘De optische verschijnselen, die we spontaan zien optreden bij de zieken als gevolg van bepaalde prikkels (...) zijn in het eerste geval de eindresultaten van bewegingsprocessen die zich voordoen in het zenuwstelsel (...)’.30

Volgens Sommer werden afwijkingen van het zenuwstelsel en de hersenen zichtbaar aan de buitenkant van het lichaam. Deze optische verschijnselen spiegelden op die manier de onzichtbare neurologische toestand van een patiënt. Ook de vorm en de grootte van de schedel werden hierbij als belangrijke ijkpunten gezien.31 Deze manier van werken stoelde voor een groot deel op interpretatie. Dit paste niet binnen de opvattingen over mechanische objectiviteit die toen dominant waren.

Sommer lijkt het probleem van de subjectiviteit en de interpretatie te hebben willen ondervangen met het gebruik van fotografie als observatie-instrument. Zowel in zijn Lehrbuch uit 1899 als in zijn verhandeling over fotografie als instrument in de psychiatrie en neurologie uit 1911, benadrukte Sommer hoe met behulp van de fotografie op systematische wijze abnormaliteiten in de fysiognomie konden worden onderzocht. Bij elk onderzoek moesten in de eerste plaats de uiterlijk zichtbare eindresultaten van de bewegingsprocessen in het zenuwstelsel vastgelegd worden. Dit kon gedaan worden met behulp van fotografie, beschrijvingen of tekeningen. Door nauwkeurige bestudering van de registraties kon de arts vervolgens vaststellen waar in het zenuwstelsel de oorzaak van de optische verschijnselen gezocht moest worden. Waren de te interpreteren verschijnselen (mechanisch) vastgelegd op foto’s, dan was dat een groot voordeel. Nog beter was het om met Stereoskopphotographien te werken, opdat zo de verschijnselen tot in detail onderzocht konden worden.32 Robert Sommer benadrukte op deze manier dat de interpretatieve fase van zijn onderzoeksmethode stoelde op resultaten die verkregen waren op mechanisch objectieve wijze.

Op deze manier presenteerde Sommer de fotografie als het beste registratie-instrument voor waarnemingen van de ‘afwijkingen’ in de fysiognomie. De andere technieken die hiervoor gebezigd werden binnen de psychopathologie, de beschrijving en de tekening, deed hij hierbij af als minder geschikt. Toch besprak Sommer ook deze technieken in zijn theoretische verhandelingen. Hij gaf hierbij duidelijk aan waarin deze technieken volgens hem verschilden van de fotografie en van elkaar. Zijn geschriften beginnen met een bespreking van de beschrijving, die hij verscheidene beperkingen toedichtte. Hij was bijvoorbeeld van mening dat het niet mogelijk was alle details mee te nemen in een beschrijving, terwijl die toch van belang zouden kunnen zijn bij het stellen van een diagnose. Iedere poging een gezichtsuitdrukking in geschreven taal uit te drukken zou leiden tot hiaten, omdat het onmogelijk was om alles in woorden te vatten. Daarnaast werd de gehele indruk van het geobserveerde subject onwillekeurig gewijzigd bij een beschrijving. Door de houdingen en bewegingen intensief te bekijken ontstond altijd een associatie met een bepaalde stemming of inhoud, die niet per se met de realiteit overeenkwam, aldus Sommer.33 Hij presenteerde de beschrijving zo als een weinig wetenschappelijke methode. Er was sprake van subjectiviteit; de beschrijving had te lijden aan de beperkingen van het geheugen en er slopen ongewenste subjectieve associaties in. Maar ook de beschrijving als ‘techniek’ vond hij te beperkt, omdat het simpelweg onmogelijk was om alle details in woorden te vatten.

Om deze associaties en onvolledigheden zoveel mogelijk in te perken, achtte Sommer het nodig deze beschrijvingen altijd aan te vullen met visuele representaties van de Kranke oftewel de zieke. Volgens Sommer waren afbeeldingen altijd beter dan woordelijke beschrijvingen. Dit gold eveneens voor tekeningen en schilderijen, waarbij de subjectieve inbreng van de kunstenaar toch ook onvermijdelijk was.34 Dit is opmerkelijk, omdat volgens Daston en Galison de tekening en de gravure aan de ene kant, en de fotografie aan de andere kant tot twee verschillende epistemische waarden behoren.35 De wetenschappelijke tekening wordt over het algemeen onder het paradigma ‘truth-to-nature’ geplaatst, terwijl de fotografie past binnen het paradigma van ‘mechanical objectivity’. Sommer vond fotografie en tekening dan ook zeker niet gelijkwaardig. In 1901 schreef hij dat de fotografie toch wel zeker te verkiezen was boven de tekening:

‘Toch blijft hier [bij de tekening] ook in de beste gevallen het gebrek aan volledige objectiviteit aan kleven. Objectiviteit kan alleen door strikt mechanische reproductiemethoden bereikt worden. Wat dat betreft heeft de fotografie grote voordelen’.36

Robert Sommer koppelde het idee van de objectiviteit dus zeker ook aan de mechanische reproductiemethoden waartoe hij de fotografie rekende. Daarnaast was Sommer van mening dat de fotografie het ‘onzichtbare zichtbaar’ kon maken.

‘Speciaal bij het onderzoek naar vormen van zwakzinnigheid (...) kunnen fotografieën een serie bruikbare tekens laten zien, die men bij een onderhoud met de zieke gemakkelijk over het hoofd kan zien’.37

Hij beschouwde de fotografie dan ook als een belangrijk onderdeel van het onderzoek, meer dan een simpele illustratie bij het vertelde verhaal. Ze nam, aldus Sommer, een eigen plek in binnen de onderzoeksmethoden en vormde een noodzakelijke uitbreiding en vervollediging van de reeds bestaande methoden.38

Samengevat schreef Sommer in zijn theoretische verhandelingen dat hij de fotografie een zeer grote mate van objectiviteit toedichtte, die te verkiezen was boven de beschrijving en de tekening. In de praktijk echter leek de beschrijving toch een dominante positie in te blijven nemen. De patiëntendossiers die in het Universiteitsarchief van Gießen bewaard gebleven zijn tonen dit aan. Beschrijvingen van fysieke kenmerken zijn in ieder dossier aanwezig, terwijl foto’s slechts in een beperkt deel van dit archief terug te vinden zijn. En ook al werden er tevens foto’s in een aparte verzameling bewaard, ze bleven facultatief. De beschrijving behoorde daarentegen tot de standaardprocedure. Dit betekent dat de fotografie in geen enkel geval de beschrijving verving en dat het deze slechts in een aantal gevallen aanvulde.39 Dit is opvallend omdat Sommer in de theorie schreef dat de beschrijving in alle gevallen gecompleteerd moest worden met een foto. Hij lijkt in theorie dus meer waarde te hebben gehecht aan de fotografie dan in de praktijk.40

Methodologie voor medische fotografie

Eén van de grote voorbeelden in de neurologische fotografie rond 1900 was het werk van Charcot en zijn collega’s in de Hôpital de la Salpêtrière in Parijs. Deze foto’s werden in de Iconographie photographique de la Salpêtrière (1875-1880) en in de Nouvelle Iconographie de la Salpêtrière (1888-1918) gepubliceerd, waardoor ze een grote bekendheid verwierven.41 Sommer prees deze collectie in zijn Lehrbuch. Toch vond hij het werk van de Salpêtrière op methodologisch gebied nog voor verbetering vatbaar.42 Op deze mogelijke verbeteringen gaat Sommer verder niet expliciet in. In vergelijking met de collectie uit Frankrijk valt echter het volgende op. De foto’s gemaakt in de Salpêtrière zijn vaak zichtbaar geprepareerd. De afgebeelde patiënten staan of zitten in een laboratoriumsetting, op een podium en voor een zwart doek. De foto’s uit Gießen daarentegen zijn vaak genomen van de patiënt in een ziekenhuisbed of in de tuin van de kliniek.43 De foto’s van Sommer lijken misschien op het eerste gezicht wat rommelig en daardoor minder professioneel. Toch was dit precies het punt waarop Sommer de Salpêtrière tekort vond schieten. Sommer was namelijk van mening dat het prepareren van een te fotograferen zieke het eindresultaat negatief kon beïnvloeden. Het zou hem of haar kunnen opwinden, of op zijn minst levendige bewegingen tot gevolg kunnen hebben. Dit leidde noodzakelijkerwijs tot een vertekend beeld van de fysiognomie. Om een dergelijk effect te voorkomen gaf Sommer de volgende richtlijnen voor het gebruik van fotografische techniek in de psychopathologie. Allereerst mocht de zieke niet voor de fotografische opname geprepareerd worden. Daarnaast diende de zieke niet te worden gestoord door de opname. Alleen op die manier kon de fotografie een waarachtig en objectief beeld produceren van de patiënt in kwestie (afbeeldingen 3 en 4).44

Voorbeeld van foto’s zoals teruggevonden in dossier

Voorbeelden van patiënten gefotografeerd in hun ‘natuurlijke’ omgeving

Afbeelding 3 en 4: Voorbeelden van patiënten gefotografeerd in hun ‘natuurlijke’ omgeving (bron: het archief van de Gießen-kliniek)

Sommers assistent August Alber schrijft in de inleiding tot zijn Atlas der Geisteskrankheiten dat hij de zieken inderdaad zoveel mogelijk ter plekke fotografeerde. Alleen wanneer dit in verband met de lichtsituatie niet mogelijk was – binnen was vaak te weinig licht – werd de zieke naar een andere ruimte gebracht. Dit was in de meeste gevallen de onderzoekskamer. In deze gevallen probeerde de arts de zieke eerst op zijn of haar gemak te stellen alvorens de fotografische apparatuur tevoorschijn te halen. Zo probeerde hij ook in de onderzoekskamer de zieken zo min mogelijk te beïnvloeden.45 Deze gewoonte ‘zieken’ zo naturel mogelijk te fotograferen valt meteen op, zeker wanneer men gewend is aan de beelden uit de Salpêtrière. De opvattingen van Sommer en Alber over hoe een zo objectief mogelijk beeld te verkrijgen door middel van fotografie is op deze manier terug te zien in de gemaakte foto’s.

Het al of niet fotograferen van de zieken in hun ‘eigen’ omgeving was echter niet het enige voorschrift dat Sommer opstelde. In zijn diverse beschouwingen over fotografie en psychopathologie ging hij tevens uitgebreid in op belichtingstechnieken. De lichtsituatie was vaak een probleem bij het op zo natuurlijk mogelijke wijze vastleggen van de fysiognomie. Allereerst was daglicht vaak te fel waardoor de fysiognomische details wegvielen. Binnen was het licht, zoals gezegd, vaak weer niet sterk genoeg waardoor überhaupt niet gefotografeerd kon worden. Sommer gaf daarom een aantal tips om de lichtsituatie zo optimaal mogelijk te maken. Hij raadde aan magnesiumlicht te gebruiken als aanvulling op het daglicht dat door de ramen van de kliniek naar binnen kwam. Dit magnesiumlicht moest echter op zorgvuldige wijze worden opgesteld, van de zijkant en niet van voren. De reden hiervoor was wederom het zichtbaar maken van de fysiognomische details: ‘Door het magnesiumlicht iets scheef op te stellen, ontstaat een schaduwwerking van opzij. Zo kan men de fysiognomische details (...) duidelijk naar voren laten komen en kan men het wezenlijke op het gezicht zichtbaar maken’.46

In de psychiatrische fotografie was het dus zaak zoveel mogelijk oneffenheden, rimpels en asymmetrieën zichtbaar te maken. Kenmerken die in de ‘normale’ portretfotografie meestal worden en werden weggewerkt. Sommer was zich er zeer goed van bewust dat deze manier van werken lijnrecht tegenover de ‘normale’ fotografische praktijk stond. Hij gaf in 1899 al aan dat de fysiognomische details die híj zichtbaar wilde maken, in de vakfotografie juist vaak als een reden voor ‘retouche’ gezien werden.47 Ook in zijn tekst uit 1911 over het gebruik van fotografie in de neurologie en de psychiatrie kwam hij uitgebreid terug op dit grote verschil tussen vak- of portretfotografie en de medische of ‘natuurwetenschappelijke’ fotografie.

‘Terwijl men bij portretten (...) veel waarde hecht aan het onzichtbaar maken van de sporen die het levenslot van een mens in zijn gezicht gegraveerd heeft – wat vaak aanleiding is voor retoucheren – komt het er in de natuurwetenschappen juist op aan die fijne tekenen van bepaalde spierinnervatie scherp naar voren te laten komen’.48

Het verschil tussen wetenschappelijke fotografie en portretfotografie was een geaccepteerd fenomeen in de negentiende eeuw. Al rond 1860 werden de termen mechanical photography en artistic photography gebruikt om deze twee verschillende vormen van fotografie te duiden. Hiermee ontstonden dus twee genres in de fotografie, het mechanisch-objectieve en wetenschappelijke genre aan de ene kant, dat haaks stond op het subjectieve, artistieke genre aan de andere kant.49 Door in zijn boek te wijzen op het feit dat de fotografie binnen de psychopathologie juist ten doel had die dingen zichtbaar te maken die de portretfotografie vaak verbergt, zette Sommer zijn wetenschappelijk gebruik van fotografie af tegen de ‘subjectieve’ portretfotografie. Op die manier plaatste hij de manier van fotograferen in de kliniek van Gießen opnieuw binnen het paradigma van wetenschappelijke objectiviteit.

Tegelijkertijd bracht deze manier van werken een ander effect met zich mee. Door verschillende methoden en technieken te gebruiken bij het fotograferen in een niet-medische en een medische context ontstond een verschil in representatie van het normale en het pathologische. In het laatste geval werd de aandacht gevestigd op dat wat afweek. De belichting werd immers bewust zodanig aangepast dat de oneffenheden en de imperfecties beter zichtbaar werden. De portretfotografie echter poogde het tegenovergestelde te doen. Door rimpels en andere oneffenheden weg te retoucheren, ontstond een schoon, glad en dus meer symmetrisch portret van het menselijk gezicht. Op die manier trokken zij een zichtbare grens tussen ‘gezond’ en ‘ziek’, aldus Helen Boemelburg.50 Door in de psychiatrie de fotografie zo anders in te zetten dan bij portretten van ‘normale’ mensen ontstond een beeld van het ‘pathologische’ dat een omkering was van het ‘normale’. Een voorbeeld is een patiënt met de diagnose ‘Traum Hysterie’ waarvoor de kliniek in 1911 een doktersverklaring schreef.51 Het rapport werd voorzien van een portret van de patiënt die enigszins met de rechterkant van zijn gezicht trok. In het rapport staat het volgende geschreven:

‘Het lichaam is sterk gebouwd, maar het gezicht is vaak vaal en mat, de ogen glansloos, het aanzien uitgeput. Voortdurend treedt het verkrampte vertrekken van de gezichtsspieren op (zie ook de fotografie), speciaal aan de rechterkant, wat echter ook doorslaat naar de linkerkant’.52

De asymmetrie in het gezicht van deze zieke werd dus dubbel benadrukt, in de tekst en met de foto als bewijs van de zwakke geestesgesteldheid van de man (afbeelding 5).

Foto van patiënt met scheve gezichtsuitdrukking

Afbeelding 5: Foto van patiënt met scheve gezichtsuitdrukking (bron: het archief van de Gießen-kliniek)

De vraag is nu of Sommer en zijn collega’s wel de juiste conclusies trokken uit de zichtbaar gemaakte asymmetrische gezichten van door hen gefotografeerde psychisch ‘zieken’. Keren we nog eens terug naar Daston en Galison. Zij laten aan de hand van een aantal voorbeelden zien hoe de ontstane idee van symmetrie in de natuur zoals gangbaar binnen het truth-to-nature-discours, onhoudbaar bleek binnen het discours van mechanische objectiviteit. In geval van veel natuurverschijnselen leefde de veronderstelling dat symmetrie en perfectie de norm was in de natuur. De fotografie legde echter unieke details van individuele objecten bloot. Dit leidde tot verschillende ontdekkingen over vormen in de natuur. Zo leefde men lang in de veronderstelling dat sneeuwkristallen altijd symmetrisch zijn. Fotografische representaties van deze kristallen toonden echter dat dit zelden of nooit het geval is. Sneeuwkristallen zijn in de regel asymmetrisch, net als het opspattende water dat veroorzaakt wordt door een waterdruppel. De veronderstelling dat God de normale wereld perfect en symmetrisch had gemaakt, werd hierdoor steeds meer ondergraven.53 Asymmetrie in de natuur bleek dus langzaamaan eerder de norm te zijn dan de uitzondering. Hiervan uitgaande is het idee dat de rimpels en asymmetrie in de vorm van het gezicht verwijzen naar een afwijking in de hersenen, natuurlijk niet houdbaar. Iedereen is gerimpeld en asymmetrisch. In de representatie van het ‘normale’ werd de asymmetrie echter gecorrigeerd, waar deze bij de ‘zieke’ mens juist zichtbaar werd gemaakt. Op deze manier hield de psychopathologische methode het idee van de perfecte vorm van de schepping Gods feitelijk in stand. Het asymmetrische werd gepresenteerd als abnormaliteit en werd zo bestempeld als ‘pathologisch’.54

Stereoscopie

Sommer maakte niet alleen gebruik van belichtingstechnieken om fysiognomische details beter zichtbaar te maken op de foto’s. Ook het gebruik van de ‘Stereophotographie’ droeg hieraan bij. Zijn argument hiervoor was het volgende:

‘Aangezien werkelijke natuurobjecten driedimensionaal gevormd zijn, en gezien het feit dat de grondregel is om een zo realistisch en objectief mogelijke weergave te maken, is het van belang niet alleen het beeld van het aanschijn van het lichamelijke op te wekken, maar de echte vorm van het object door middel van stereoscopie en de bijbehorende aanschouwing, weer te laten opleven in de observator’.55

Hij was dus van mening dat fotografie in drie dimensies objectiever was dan ‘platte’ fotografie. Daarnaast zette hij zijn keuze voor stereofotografie verder kracht bij door aan te geven op welke manier de afwijkingen beter zichtbaar werden op een driedimensionale weergave. Hij noemde hier afwijkingen van de huid, zoals littekens. Maar ook de hierboven besproken fysiognomische details werden volgens Sommer beter zichtbaar met behulp van stereofotografie. Deze details, die zich veelvuldig van een ‘Stereoskopphotographie’ lieten aflezen, leidden vaak tot diagnoses die bij gewone fotografie gemakkelijk gemist hadden kunnen worden, aldus Sommer.56 De ‘Stereophotographie’ maakte het onzichtbare nog beter zichtbaar dan de ‘gewone’ fotografie. Opvallend is dat Sommer echter nergens duidelijk aangeeft op welke manier de stereoscopische foto’s bepaalde diagnoses mogelijk maakten die met behulp van de ‘vlakke’ fotografie gemist zouden worden.

Ook in het Lehrbuch van 1899 ging Sommer al in op de superioriteit van de stereofotografie. Hij gaf een aantal voorbeelden om uit te leggen waarom stereofotografie te verkiezen was boven platte fotografie. Ook hier werd Sommer echter bijna nergens concreet. Toch is er één voorbeeld, een afbeelding van een patiënte die met een vertrokken mond in haar bed ligt, waar Sommer helder aangeeft op welke manier de stereoscopie meer zichtbaar maakte. De platte fotografie vertekende in dit geval het perspectief zodanig sterk dat de vorm van de mond niet goed zichtbaar werd. De stereoscopie daarentegen liet de vertrokken mond juist extra goed naar voren komen.57 Opvallend is dat het hem in dezen gaat om de vorm en de grimas van het gezicht en niet om de kleinere rimpels en details die hij eerder noemde. Uiteindelijk blijkt dan ook dat de stereoscopie volgens Sommer vooral een meerwaarde had bij de representatie van de vorm en grootte van lichaamsdelen, zoals de vorm van het voorhoofd, van de oogkassen, de textuur van de neuswortel, de vorm en richting van de neus en de bouw van de kin.58 Hij schreef dan ook dat ‘[b]ij de vlakke beelden (...) de gedetailleerde informatie over relatieve groottes en plaatsing bijna helemaal verloren [gaat]’.59 De stereofotografie kon deze details wel weergeven, waardoor ze ook zonder de aanwezige patiënt onderzocht konden worden.60 Het lijkt er dus op dat Sommer de stereofotografie vooral goed inzetbaar achtte bij het onderzoek naar morfologische kenmerken, waarbij het wederom vooral van belang was te letten op asymmetrieën.61

Het onderzoek naar verbanden tussen geestesziekten en de vorm en grootte van delen van het lichaam was geen nieuw fenomeen. In de loop van de negentiende eeuw was deze vermeende koppeling veelvuldig onderzocht. Met name Cesare Lombroso (1835-1909) werd bekend doordat hij dergelijke ideeën uitwerkte.62 Ook Sommer, die Lombroso een warm hart toedroeg, onderzocht de vermeende relatie tussen anatomische verhoudingen en afwijkingen in de hersenen en het zenuwstelsel. Dit soort onderzoek was ook in die tijd al omstreden, iets waar Sommer zeker van op de hoogte was.63 Hij verdedigde zijn morfologische werk derhalve op de volgende manier in zijn Lehrbuch: ‘Hoewel de relaties tussen morfologische abnormaliteiten en de geestelijke abnormaliteiten nog duister zijn, is het toch aan te bevelen zorgvuldig op alle lichamelijke afwijkingen te letten’.64

Alleen door veel en op vergelijkbare wijze waar te nemen kon ontdekt worden hoe de natuur in elkaar zat, aldus Sommer. Pas daarna kon echt met zekerheid iets gezegd worden over het nut en het nadeel van dergelijk onderzoek. Hij nam zich daarom voor de lichamen van zijn patiënten zorgvuldig te meten, waarbij hij extra aandacht besteedde aan de verhoudingen tussen en de groottes van de verschillende lichaamsdelen.65 De ‘Stereoskopphotographie’ kon hierbij goed gebruikt worden. Door de representatie in drie dimensies werden de abnormaliteiten immers zo objectief mogelijk vastgelegd, waardoor ze op een ander tijdstip rustig bestudeerd konden worden.

Ondertussen ontwikkelde het Duitse bedrijf Zeiss stereoscopen waarmee de afstand tussen twee punten gemeten kon worden op het stereoscopische beeld.66 Dit maakte een mechanisch objectieve meting van bijvoorbeeld twee punten in het heelal mogelijk.67 Ook ogenschijnlijke asymmetrieën in een gezicht zouden op een dergelijke mechanisch objectieve manier gemeten kunnen worden. Toen Sommer in 1904 een tentoonstelling met apparatuur voor experimentele psychologie mocht samenstellen, ontbrak een dergelijk ‘Stereoskop mit Meßeinrichtung’ dan ook niet (afbeelding 6).

Afbeelding van stereoviewer in ‘Ausstellung...’

Afbeelding 6: Afbeelding van stereoviewer in ‘Ausstellung...’ (bron: archief van de Gießen-kliniek)

In de catalogustekst bij deze stereoscoop verwees Sommer naar een aantal artikelen van C. Pulfrich, die voor Zeiss-Jena werkte. In deze teksten legt Pulfrich uitgebreid uit hoe de ‘Stereo-Komparator’ oftewel stereoscoop met meetinrichting werkt. De stereoscoop met meetinrichting die Sommer tentoonstelde, was echter van een veel eenvoudiger model dan het door Pulfrich beschreven apparaat. In de catalogustekst gaf Sommer dan ook zelf al aan dat het eigenlijk niet mogelijk was om met dit apparaatje een zo exacte meting te doen als voor de wetenschap vereist was.68 Evengoed positioneerde Sommer zich ook nu weer binnen het paradigma van de wetenschappelijke objectiviteit. Niet alleen gebruikte hij een gemechaniseerd oog om de afwijkingen in de fysiognomie van zijn patiënten zichtbaar te maken, ook toonde hij zich bekend met de mogelijkheid op mechanische wijze metingen te verrichten op basis van de stereoscopieën.

Toch lijkt ook hier de praktijk weerbarstiger te zijn geweest dan de theorie. Uit de bronnen blijkt nergens een echt duidelijke wetenschappelijke inzet van de stereoscopieën in objectief mechanische zin. De interpretaties van de foto’s lijken vaker subjectief dan mechanisch objectief tot stand gekomen te zijn. Ook de mechanische meetinrichting die in de kliniek gebruikt werd, was een mindere versie van de door Zeiss voor de wetenschap ontwikkelde apparatuur. Met zijn geschriften over fotografie, stereoscopie en meetinrichtingen deed Sommer echter wel iets anders. Hij plaatste zichzelf en de door hem beschreven methodologie voor de psychopathologie, voortdurend binnen het paradigma van de wetenschappelijke objectiviteit en zo binnen het domein van de natuurwetenschappen. Iets waar hij dan ook veel waarde aan hechtte.69

Trained judgment

Zoals gezegd, moest bij mechanische objectiviteit subjectiviteit zoals kennis en ervaring worden uitgesloten. In de medische wetenschap, en dus ook de psychopathologie, speelden (en spelen) diagnoses echter een grote rol. Het stellen van een diagnose impliceert een categorisering op basis van een interpretatie van de waargenomen symptomen. Die interpretatie werd (en wordt) weer gestuurd door de medische kennis en ervaring die een arts had (en heeft). Dit betekent dat deze diagnostische activiteit feitelijk niet als wetenschappelijk objectief in de negentiende-eeuwse zin van het woord beschouwd kan worden.

Ook diagnostiek was een onderwerp waarover Sommer uitgebreid publiceerde. Het beste voorbeeld is zijn boek Diagnostik der Geisteskrankheiten uit 1901. In het tweede deel van dit boek beschrijft hij verschillende vormen van geestesgestoordheid, die hij ook nog eens in verschillende categorieën indeelt. Hij begint zijn boek met de geestesziekten met aanwijsbare verandering in de hersensubstantie, een categorie die hij vervolgens weer indeelt in morfologische en chemische veranderingen. Ook de morfologische en chemische veranderingen deelt hij weer op in verschillende categorieën. De tweede overkoepelende categorie van Sommer is die van de geestesziekten zonder aanwijsbare verandering in de hersensubstantie, een categorie die hij ook weer in verschillende subcategorieën onderverdeelt.70 Sommer presenteert zo dus een taxonomie van de geestesziekten in zijn boek.71

In zijn beschrijving van de geestesziekten ging Sommer in op stereotypische houdingen en bewegingen die hij bij de verschillende aandoeningen had waargenomen. Op die manier leerde hij de lezer hoe hij of zij een aandoening kon herkennen. Daarbij legde hij uit hoe de ene geestesziekte van de andere kon worden onderscheiden. Zo schreef hij bijvoorbeeld over catatonie dat deze aandoening door een ongeoefend oog gemakkelijk verwisseld kon worden met manie, waarna hij aangaf waar een arts op moest letten om dit te voorkomen.72 Kennis over de ziektebeelden was (en is) bij de diagnostiek van groot belang. Dit maakte dat deze kant van het psychopathologisch onderzoek minder goed paste binnen het paradigma van de objectiviteit, waarbij kennis immers als subjectief element diende te worden uitgesloten. Ook Sommer maakte gebruik van de kennis die hij had opgedaan tijdens zijn werkzaamheden in verschillende psychiatrische klinieken. In zijn boek zet hij vervolgens aan de hand van voorbeelden uit de praktijk uiteen welke stereotypische bewegingen en tics kunnen wijzen op een bepaalde aandoening. Er is hier dus feitelijk sprake van familiegelijkenis tussen twee patiënten en de symptomen die zij vertonen. Deze manier van werken verwijst eerder naar het paradigma trained judgment dan naar objectiviteit. Het lijkt erop dat deze twee manieren van denken over wetenschap in de psychopathologie bij Sommer door elkaar liepen.

Trained judgment behelsde echter ook een oefening van het oog, opdat men inderdaad de juiste symptomen kon leren herkennen. In het boek Diagnostik der Geisteskrankheiten staan dan ook een aantal foto’s van patiënten afgedrukt. Daarnaast verscheen in 1902 de Altas der Geisteskrankheiten im Anschluß an Sommer’s Diagnostik der Geisteskrankheiten van de hand van August Alber als appendix bij de Diagnostik. De in de Atlas afgedrukte foto’s zijn ingedeeld volgens het taxonomisch systeem dat Sommer in zijn boek hanteerde. Het resultaat is dat alle portretten van zieken die bijvoorbeeld leden aan dementia paralytica achter elkaar staan in de Atlas, waardoor de lezer zich al bladerend een beeld kan vormen van de vermeende algemene visuele kenmerken ervan.73 Hierin werd hij/zij gestuurd door de korte teksten die de afbeeldingen begeleidden. Dit waren meestal samenvattingen van het patiëntendossier, met daarin kort de anamnese, een uiteenzetting over de stereotypische houdingen en bewegingen en een korte uitleg over hoe de foto te interpreteren was.74 Als we nu kijken naar de besproken epistemische waarden van wetenschappelijke objectiviteit en trained judgment dan zien we dat de atlas beide waarden toont. Deels past hij binnen de ideeën van de mechanische objectiviteit, want de atlas toont fotografieën van individuele gevallen met ieder hun eigen uiting van een ziekte. Deze individuele ‘zieken’ werden echter gelabeld door de manier waarop ze werden gepresenteerd, zodat de lezer zich kon trainen in het herkennen van de ziektebeelden. Deze manier van werken, die beter bekend staat onder de noemer ‘patroonherkenning’, past beter binnen het paradigma van trained judgment.

Opmerkelijk genoeg treden hier en daar verschillen op tussen de gestelde diagnoses in de patiëntendossiers en de categorieën in de Atlas. Een duidelijk voorbeeld is afbeelding 100 in de Atlas die onder de categorie ‘Primärer Schwachsinn’ valt. In het corresponderende patiëntendossier staat de diagnose ‘depressie als gevolg van progressieve dementie. Paranoïde dementie. Primaire zwakzinnigheid’ vermeld. Deze meer genuanceerdere diagnose is in de atlas echter vervangen door de eenduidige categorie ‘primaire zwakzinnigheid’. Hierdoor werd de afbeelding als een meer eenduidig voorbeeld van een zekere aandoening gepresenteerd.75 Er zit een discrepantie tussen de fase van het patiëntendossier, waar een foto nog een afbeelding was van een specifieke zieke met een genuanceerdere en individuele diagnose, en die van de Atlas waarin een ziek individu is getransformeerd in een visueel voorbeeld van een algemene aandoening. De patiënt veranderde van een individu in een pars pro toto.

Samengevat zien we dat het geheel aan epistemologische waarden waarbinnen het werk van Sommer geplaatst kan worden zich kenmerkt door diversiteit. Hij combineerde meerdere manieren van denken over wetenschap en kennisproductie, waarbij de inzet van fotografie en stereofotografie toch vooral binnen het paradigma van de mechanische objectiviteit past. De contextualisering, de interpretatie en de presentatie van de beelden vinden bij Sommer echter vooral een plek binnen het paradigma van trained judgment. Opmerkelijk is hier de paradox die optreedt wanneer de fotografie wordt ingezet om waarnemingen te standaardiseren. De fotografie toont immers in eerste instantie het onregelmatige, het toevallige en het incidentele. Het standaardiseren van de waarneming is echter bedoeld om het subjectieve uit te sluiten en het toeval te vermijden. Dus Sommers inzet van fotografie in de psychopathologie om zo de waarneming te standaardiseren, impliceerde die paradox van registratie van het individuele in het onderzoek naar het algemene, in een poging uitspraken te doen over psychische aandoeningen. Door van te voren mogelijke diagnoses vast te leggen in een taxonomie van ziektes, zoals ook nu nog gedaan wordt in de dsm, werd de waarneming en dus ook de inzet van de fotografie van te voren gestuurd.76 Dit leidde automatisch tot het benadrukken van bepaalde afwijkingen en anomalieën met behulp van de fotografie. Deze manier van representatie bevestigde zo de vooronderstellingen over psychische ziektes en diagnostiek. Zoals gezegd, vond dit ook een weg in de voorschriften voor medische fotografie, waarbij een menselijk gezicht in plaats van mooier juist lelijker gemaakt werd.

Ten slotte is de vraag naar de rol van het truth-to-nature-denken in de psychopathologie van groot belang. Ook voor het werk van Sommer werden portretten van patiënten met een vergelijkbare diagnose vergeleken om zo overeenkomstige afwijkingen in fysiognomie vast te stellen. Zo probeerde William Noyes door middel van composite portraiture tot een algemeen beeld van een ‘ziekte’ te komen en trachtte Charcot ‘types’ te herkennen die uiteindelijk tot een ziektebeeld konden leiden.77 Ook de ‘pionier’ van de psychiatrische fotografie D.W. Diamond poogde de algemene kenmerken van verschillende ‘geestesziekten’ te presenteren met behulp van fotografie.78 Een interessante vervolgvraag is daarom hoe de als mechanisch objectief beschouwde fotografie functioneerde binnen het discours van het paradigma truth-to-nature en binnen dat van trained judgment. Door dit te onderzoeken kunnen fotoverzamelingen die op het eerste gezicht tot eenzelfde traditie lijken te behoren, wellicht heel verschillend blijken.

Noten



1     Met dank aan de Universiteit Utrecht die het archiefonderzoek in Giessen financierde met behulp van de Aspasia-gelden voor vrouwelijke onderzoekers.

2     F. Stolze, Die Stereoskopie und das Stereoskop in Theorie und Praxis, Wilhelm Knapp, Halle a. S. 1908, p. 155. ‘Die Stereoskopie ist eben im eigentlichen Sinne des Wortes, wie die Photographie überhaupt, zum Auge der Wissenschaft geworden und wird es von Tag zu Tag mehr! Erst die Zukunft wird uns lehren, was sie auf diesem Gebiet uns noch für wunderbare Aufschlüsse geben wird.’ (Vertaling van alle citaten door de auteur).

3     Zie voor meer informatie bijvoorbeeld: G. Didi-Huberman, The Invention of Hysteria: Charcot and the Photographic Iconography of the Salpêtrière, A. Hartz (vert.), mit press, Cambridge, Massachusetts 2003, en L. Appignanesi, Mad, Bad and Sad - a History of Women and the Mind Doctors from 1800 to the Present, Virago, Londen 2008.

4     Zie onder anderen K. Podoll, ‘Beitrage zur medizinischen Kinematographie aus der Bonner Universitäts-Nervenklinik unter dem Ordinariat Alexander Westphals’, in: Wolfgang Schaffer (ed.), Folgen der Ausgrenzung – Studien zur Geschichte der ns-Psychiatrie in der Rheinprovinz, Rheinland-Verlag GmbH, Keulen 1995, p. 197-208; G. Aubert, ‘Arthur Van Gehuchten takes neurology to the movies’, in: Neurology, 2, 2002, p. 1612-1618; H. Boemelburg, Der Arzt und sein Modell - Porträtphotographien aus der deutschen Psychiatrie 1880 bis 1933, Steiner, Stuttgart 2007, en Joost Vijselaar, Krankzinningen gesticht - psychiatrische inrichtingen in Nederland, 1880-1910, Nederlands centrum Geestelijke gezondheidszorg, Utrecht 1992.

5     Dergelijk onderzoek naar de aard en de oorzaak van geestesziekten wordt ook wel psychopathologie genoemd. Pathologie is de wetenschappelijke studie van ziektes. Het ‘pathologische’ betekent in die zin het ‘zieke’, het ‘afwijkende’, het ‘niet-normale’. Zie ook: Georges Canguilhem, The Normal and the Pathological, Zone Books/mit Press, Cambridge/London 1991 (origineel 1966 Le normal et le pathologique).

6     U. Enke, ‘“Ein Liebig-Museum in Giessen” - Der Psychiater Robert Sommer, die chemische Hexenküche und das Gießener Liebig-Museum’, in: Mitteilungen des Oberhessischen Geschichtsvereins Giessen, 89, 2004, p. 69.

7     Sander L. Gilman, The Face of Madness - Hugh W. Diamond and the Origin of Psychiatric Photography, Brunner/Mazel, New York 1976.

8     D. Trotter, ‘Stereoscopy: modernism and the “haptic”’, in: Critical Quarterly, 4, vol. 46, 2004, p. 39.

9     Zie hiervoor respectievelijk de hoofdstukken ‘Analyse der die Erscheinungen bedingenden Bewegungsvorgänge mit motorisch-graphischen Methoden’, ‘Darstellung der akustischen Aeusserungen’ en ‘Darstellung der optischen Erscheinungen’. Uit de medische dossiers die in de Justus-Liebig Universität van Gießen zijn bewaard, blijkt dat zowel fotografie als bewegingsregistraties ook bij psychiatrische patiënten werden ingezet.

10     R. Sommer, Lehrbuch der psychopathologischen Untersuchungs-Methoden, Urban & Schwarzenberg, Berlijn 1899, p. 1. ‘(...) die Art der Untersuchung [soll] für alle Beobachter einigermassen gleichmässig geregelt und dadurch das Subjectieve in der Auffassung der Erscheinungen möglichst vermieden wird.’

11     L. Daston & P. Galison, Objectivity, Zone Books, New York 2007, p. 27-35.

Jonathan Crary legt in zijn Techniques of the Observer uit dat Kants ‘Copernicaanse revolutie’ van de toeschouwer, die hij introduceert in het voorwoord van de tweede druk van zijn Kritik der Reine Vernunft (1787) het moment is waarop het subject een nieuwe plaatsing en organisatie krijgt. Dit in combinatie met Goethe’s ideeën over subjectieve waarneming en de manier waarop het lichaam en de biologie hierop van invloed zijn, zorgen voor een epistemische omslag. Zie: J. Crary, Techniques of the Observer - On Vision and Modernity in the Nineteenth Century, mit Press, Cambridge, Massachusetts 1992. Gesteld kan worden dat deze nieuwe opvattingen over subjectiviteit en waarneming tevens verweven zijn geweest met de opkomst van het paradigma van wetenschappelijke objectiviteit in de medische wetenschap. Deze omslag in de medische wetenschap vond onder andere plaats onder invloed van August Comte’s teksten over het positivisme. Daarnaast staan geneeskundigen als Claude Bernard, die de vivisectie introduceerde en verdedigde, en Rudolf Virchow, die zich vooral bezighield met celbiologie en autopsie.

12     Daston & Galison, Objectivity, p. 17

13     Daston & Galison, Objectivity,p. 18

14     Blind sight kreeg veel later nog een andere betekenis, namelijk die van ‘onbewust zien’ dat optreedt bij mensen die corticaal, door een hersenbeschadiging geheel of gedeeltelijk blind zijn. Het oog ziet dus wel, maar de hersenen verwerken dit niet.

15     Zie voor een analyse van de representatie van de hersenen in deze periode: Sarah de Rijcke, ‘Regarding the Brain: Practices of Objectivity in Cerebral Imaging 17th Century-Present’, proefschrift Rijksuniversiteit Groningen, 2010.

16     Daston & Galison, Objectivity, Fig. 1.1.

17     Daston & Galison, Objectivity, p. 105.

18     Daston & Galison, Objectivity, p. 314.

19     Daston & Galison, Objectivity, p. 318

20     Daston & Galison, Objectivity, p. 18.

21     De foto’s die dit artikel illustreren zijn beschikbaar gesteld door het Universitätsarchiv van de Justus-Liebig Universität te Gießen.

22     Patientenakten Psychiatrische und Nerven Klinik Gießen, 1896-1901, 1911-1913 en 1919, en H. Boemelburg, Der Arzt und sein Modell, p. 293. Helen Boemelburg heeft voor haar onderzoek alle patiëntendossiers uit de periodes 1901-1910 en 1920-1930 doorgenomen. Dit wetende heb ik de dossiers uit de periodes 1896-1901, 1911-1913 en 1919 bestudeerd. De periode van de Eerste Wereldoorlog is zodanig afwijkend van de rest, dat deze eigenlijk afzonderlijk bekeken zou moeten worden.

23     A. Alber, Atlas der Geisteskrankheiten im Anschluss an Sommer's Diagnostik der Geisteskrankheiten, Urban & Schwarzenberg, Berlin und Vienna 1902.

24     H. Boemelburg, ‘“[...] um das subjektive Moment in der menschlichen Beobachtung auszuschalten”: Patientenportäts aus der Psychiatrischen Klinik Gießen, 1896-1930’, in: V. Roelcke & U. Enke (red.), Die Medizinische Fakultät der Universität Gießen: Institutionen, Akteure und Ereignisse von der Gründung 1607 bis ins 20. Jahrhundert, vol. 1, Steiner, Stuttgart 2007, p. 289.

25     Sommer, Lehrbuch, p. 4. ‘Wir betrachten zuerst die optischen Erscheinungen, welche die Geisteskranken bieten, und behandeln dieselben ebenso wie die Objecte anderer naturwissenschaftlicher Untersuchungen.’

26     Sommer, Lehrbuch, p. 1

27     R. Sommer, Experimental-psychologische Apparate und Methoden: die Ausstellung bei dem 1. Kongreß für Experimentelle Psychologie 1904, nadruk, Barth, Leipzig 1984. Het ontwikkelen en gebruiken van dergelijke apparatuur voor de waarneming in de psychologie en de psychiatrie sloot aan bij de praktijk van het standaardiseren en mechaniseren van de waarneming die in de negentiende eeuw gaande was. Crary, Techniques of the observer.

28     Daston & Galison, Objectivity, p. 123.

29     Boemelburg, Patientenportäts, p. 289.

30     R. Sommer, ‘Neurologie und Psychiatrie’, in: Wolf-Czapek (ed.), Angewandte Photographie in Wissenschaft und Technik, Vol. II, Union Deutsche Verlaggesellschaft Zweigniederlassung, Berlin 1911, p. 102: ‘Die optischen Erscheinungen, die wir an den Kranken spontan oder als Folge bestimmter Reize auftreten sehen (...) sind im letzten Grunde Endresultate von Bewegungsvorgängen, die sich im Nervensystem abspielen (...).’

31     Het werk van Sommer sloot aan bij de eugenetica en de degeneratietheorieën die in die periode populair waren. Hij was sterk onder de indruk van Cesare Lombroso, die verbanden legde tussen erfelijkheidsleer, de vorm van de schedel en criminaliteit. Ook Sommer mat de schedels van alle zieken die hij in zijn kliniek onderzocht. Daarnaast stelde hij in veel gevallen een stamboom op, met daarin aangegeven welke psychische aandoeningen in de familie voorkwamen. Op die manier hoopte hij inzichtelijk te maken of een aandoening erfelijk was of niet. Voor meer informatie over eugenetica en rassenhygiëne in Gießen zie ook: S. Oehler-Klein, ‘“... als gesunder Mensch kam ich nach Gießen, krank kam ich wieder nach Hause...”: Eugenik und Rassenhygiene in Gießen’, in: S. Oehler-Klein & U. Enke (red.), Professoren - Patienten - Studenten: die medizinische Fakultät der Universität Gießen seit 1607, Fachbereich Medizin der Justus-Liebig Universität Gießen, 2007, p. 186-209.

32     Sommer, Angewandte Photographie, p. 102.

33     Sommer, Lehrbuch, p. 5.

34     Sommer, Lehrbuch, p. 5: ‘Durch Zeichnung sind uns eine ganze Anzahl von psychiatrischen Eindrücke festgehalten worden, die viel besser als Worte vermögen, uns gewissen Erscheinungen aus der Psychopathologie vorzuführen, selbst wenn diese Eindrücke durch das Subject eines Künstlers gegangen sind.’

35     Daston & Galison, Objectivity.

36     R. Sommer, Diagnostik der Geisteskrankheiten für praktische Ärzte und Studierende, Urban & Schwarzenberg, Berlijn/Wenen 1901, p. 21. ‘Jedoch haftet auch dieser selbst im besten Falle der Mangel der völligen Objectivität an, die nur durch rein physikalische Reproductionsmethoden erreicht werden kann. In dieser Richtung hat die photographie grosse Vorzüge.’

37     Sommer, Angewandte Photograhpie, p. 118. ‘Besonders bei der Untersuchung von Schwachsinnsformen (...) können Photographien eine Reihe von verwertbaren Zügen herausstellen, die man bei der Unterhaltung mit dem Kranken leicht übersieht.’

38     Sommer, Angewandte Photographie, p. 104.

39     Patientenakten Psychiatrische und Nerven Klinik Gießen, 1896-1901, 1911-1913 en 1919.

40     Sommer, Lehrbuch, p. 5. Een verklaring hiervoor kan zijn dat de klassieke geneeskunde nu eenmaal bestond uit een uitvoerige anamnese en een lichamelijk onderzoek. Dit kon dan eventueel worden aangevuld met een tekening of een foto. De praktijk lijkt in dit geval dan ook weerbarstiger dan de theorie.

41     G. Didi-Huberman, The Invention of Hysteria: Charcot and the Photographic Iconography of the Salpêtrière, A. Hartz (vert.), mit press, Cambridge, Massachusetts 2003.

42     Sommer, Lehrbuch, p. 6.

43     Alber, Atlas.

44     Sommer, Lehrbuch, p. 6.

45     Alber, Atlas.

46     Sommer, Lehrbuch, p. 7. ‘Durch etwas schiefe Stellung des Magnesiumlichtes, welche seitliche Schattengebung bewirkt, kann man diese physiognomischen Feinheiten (...) deutlich herausheben und dadurch das Wesentliche eines Gesichtsausdruckes kenntlich machen.’

47     Sommer, Lehrbuch, p. 7.

48     Sommer, Angewandte Photographie, p. 105. ‘Während bei Porträts (...) wohl vielfach Wert darauf gelegt wird, [die] Runen, die das Lebensschicksal eines Menschen in sein Gesicht gegraben hat, nicht zu sehr hervortreten zu lassen – was öfter ein Anlaß der Retouche zu sein scheint - kommt es naturwissenschaflich gerade darauf an, diese feinen Zeichen bestimmter Arten von Muskelinnervation scharf hervorzuheben.’

49     Daston & Galison, Objectivity, p. 133.

50     Boemelburg, Der Arzt und sein Modell, p. 7. ‘(...) und zogen dadurch eine sichtbare Grenze zwischen “gesund” und “krank”.’

51     Een ‘ärtzliches Gutachten’ was een doktersverklaring voor verzekeraars en werkgevers, dat diende als bewijsstuk voor de arbeidsongeschiktheid van een persoon. Bij deze Gutachten zijn vaak foto’s terug te vinden. Het lijkt erop dat de foto’s het betoog extra kracht bij moesten zetten. (Zie Patiëntenakten Psychiatrische und Nerven Klinik Gießen (1911-1913 en 1919)).

52     Patientenakten Psychiatrische und Nerven Klinik Gießen, 1896-1901, 1911-1913 en 1919 (doos 86).

53     Daston & Galison, Objectivity, p. 148-161.

54     Dit is opmerkelijk, aangezien de kennis met betrekking tot de asymmetrie van de hersenen en de functies van de hersenen ook dateert van de tweede helft van de negentiende eeuw. Zie hiervoor: Anne Harrington, Medicine, Mind and the Double Brain: A Study in Nineteenth-Century Thought, Princeton University Press, Princeton 1987.

55     Sommer, Angewante Photographie, p. 111. ‘Da die wirklichen Naturgegenstände dreidimensional gestaltet sind, so erfordert es der Grundsatz der möglichst realistischen und objectiven Wiedergabe, nicht nur im Bilde den Anschein des Körperlichen zu erwecken, sondern die wirkliche Gestaltung des Objektes durch stereoskopische Photographie und entsprechende Anschauung im Betrachter wieder aufleben zu lassen’.

56     Sommer, Angewandte Photographie, p. 111-112.

57     Sommer, Lehrbuch, p. 10.

58     Sommer, Angewandte Photographie, p. 111-112.

59     Sommer, Lehrbuch, p. 7. ‘Bei dem Flächenbilde gehen alle Feinheiten der relativen Grösse und Lage fast ganz verloren’.

60     Aangezien de kliniek in Gießen vooral bedoeld was voor korte periodes van onderzoek en voor het stellen van een diagnose, was dit vaker wel dan niet het geval. De meeste patiënten gingen na twee of drie weken naar huis, of werden doorgestuurd naar een verzorgingsinstelling (meestal was dit Hofheim bij Frankfurt). - Patientenakten Psychiatrische und Nerven Klinik Gießen, 1896-1901, 1911-1913 en 1919.

61     Sommer, Angewandte Photographie, p. 111-112.

62     D. Pick, The faces of degeneration, Cambridge University Press, Cambridge 1989.

63     In 1910 schreef Sommer een In Memoriam voor Lombroso. Hierin gaat hij onder andere in op de kritiek die Lombroso gedurende zijn leven al kreeg. Hij schreef: ‘Es gehörte Jahre lang fast zum guten Ton, bei jeder geeigneter Gelegenheid die Entrüstung über die Ansichten dieses Mannes [Lombroso] auszudrücken.’ Hieropvolgend verdedigt Sommer het werk van Lombroso (Universitätsbibliothek Gießen: Nachlaß Sommer D I, Band 19).

64     Sommer, Lehrbuch, p. 10. ‘Wenngleich die Beziehungen der morphologischen Abnormitäten zu den endogenen geistigen Abnormitäten noch dunkel sind, so empfiehlt sich doch, sorgfältig auf alle körperlichen Abweichungen zu achten.’

65     Sommer, Lehrbuch, p. 10.

66     Zeiss was gevestigd in het stadje Wetzlar dat op een kleine twintig kilometer afstand van Giessen ligt.

67     C. Pulfrich, ‘Ueber neuere Anwendungen der Stereoskopie und über einen hierfür bestimmten Stereo-Komparator’, in: Zeitschrift für Instrumentenkunde, XXII, 1902.

68     Sommer, Ausstellung, p. 25. Uiteindelijk beschrijft Sommer in 1911 een geheel andere meettechniek voor fotografie, waarbij hij gebruik maakt van een raster over de foto’s. Met behulp van dit raster konden de afgebeelde objecten, zoals hersenen en schedels, zeer precies gemeten worden. Over het meten van lichamen op basis van stereoscopische beelden rept hij nergens meer (Sommer, Angewandte Photographie, p. 115-116).

69     Michael Meyer zum Wischen, “Der Seele Tiefen zu ergründen...” Robert Sommer (1864-1937) und das Konzept einer ganzheitlichen, erweiterten Psychiatrie, serie: Arbeiten zur Geschichte der Medizin in Giessen, 14, svg, Giessen 1988, p. XII.

70     Sommer, Diagnostik, p. 135. Zijn streven was om door onderzoek de groep ‘aandoeningen zonder aanwijsbare verandering in de hersensubstantie’ zo klein mogelijk te maken door voor alle aandoeningen een biologisch aantoonbare oorzaak te zoeken.

71     In de huidige tijd worden de aantoonbare morfologische afwijkingen tot de neurologie gerekend, terwijl de niet-aantoonbare afwijkingen onder de psychiatrie zijn gaan vallen.

72     Sommer, Diagnostik, p. 346.

73     Dementia Paralytica is het laatste stadium van syfilis. In de tijd van Sommer kwam dit ziektebeeld nog zeer vaak voor. Ook in de huidige tijd komt deze aandoening nog wel voor maar ze is zeldzaam. Dementia Paralytica werd in het begin van de negentiende eeuw, vooral na de Napoleontische oorlogen, herkend bij mannen. Ze kregen aanvankelijk geestesstoornissen, en in een later stadium begonnen ze ook verlammingsverschijnselen te vertonen. In 1822 vond Bayle bij dergelijke patiënten afwijkingen in de hersenen. Pas eind negentiende eeuw werd statistisch de relatie met syfilis gelegd en in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw werd syfilis als oorzaak bewezen. Pas na de eeuwwisseling kwamen effectieve therapieën in zwang zoals de koorts/malaria therapie volgens Wagner Jauregg, Paul Ehrlichs Salvarsan 606, en na de Tweede Wereldoorlog penicilline (Informatie via Peter Koehler).

74     Alber, Atlas.

75     Patientenakten Psychiatrische und Nerven Klinik Gießen, 1896-1901 en Alber, Atlas. ‘Depressionszustand auf dem Boden einer fortschreitenden Demenz. Dementia paranoides. Primairer Schwachsinn’.

76     dsm is de afkorting van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Dit handboek wordt samengesteld door de American Psychiatric Association. Zie voor een cultuurhistorische analyse van de dsm hoofdstuk drie van Trudy Dehue, De Depressie-Epidemie, Augustus, Amsterdam 2008.

77     S.L. Gilman, Seeing the Insane, First Bison Books - University of Nebraska Press, Lincoln 1996, p. 188; Didi-Hubermann, Invention of Hysteria.

78     S.L. Gilman, The Face of Madness - Hugh W. Diamond and the Origin of Psychiatric Photography, Brunner/Mazel, New York 1976.



Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.

ISSN: 2213-7653