Inleiding: radiokritiek zonder scherpe kantjes?

In de studie van de moderne Nederlandse letterkunde staan de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw bekend om de explosieve groei van de literatuurkritiek.2 De hoeveelheid actieve critici was groter dan ooit tevoren, wat samenhing met een toename van het aantal media. Daaronder bevond zich ook de radio, die met de introductie van literaire radiorubrieken in 1928 een structureel onderdeel van het literatuurkritische veld werd. In dit artikel wil ik nader inzicht verkrijgen in de aard van dit weinig bestudeerde fenomeen door de volgende onderzoeksvraag te beantwoorden: hoe verhielden Nederlandse radioboekbesprekingen in het Interbellum zich tot hun papieren equivalenten in de dagbladkritiek?

Alvorens ik uiteenzet hoe ik deze problematiek benader, is een korte introductie van het fenomeen radiokritiek en de academische receptie ervan op haar plaats. Op 28 mei 1927 schreef ene U.N. een kort opinieartikel in de liberale krant Het Vaderland, waarin hij de klacht uitte dat er niet genoeg variatie was in het Nederlandse programma-aanbod: er ‘dreigt een te veel van het gebodene te komen, hier dreigt de kwantiteit verre de kwaliteit te gaan overtreffen’.3 Een van de gesignaleerde problemen betrof de al te eenzijdige nadruk op muziek, terwijl de radio zich ook uitstekend zou lenen voor het ‘uitzenden van fragmenten goede literatuur, in proza en poëzie’, en voor volksvoorlichting op het literaire vlak. ‘Wij geven toe, dat hiervoor een in alle opzichten goede, beschaafde en schiftende leiding noodzakelijk is’, tekende U.N. in pluraris majestatis aan, ‘maar die moet er dan ook zijn’.

Sinds de stichting van de Hilversumsche Draadlooze Omroep in juli 1923 – de voorloper van de AVRO – was er vaker geklaagd over de gebrekkige aandacht voor literatuur in de ether. Begin 1927, bijvoorbeeld, betoogden de alomtegenwoordige critici Gerard van Eckeren en Jan Greshoff in het publieksgerichte tijdschrift Den Gulden Winckel dat de Nederlandse omroepen schril afstaken bij hun equivalenten in het buitenland, die uitstekende literaire rubrieken zouden verzorgen:

‘Parijs zendt geregeld letterkundig nieuws uit per radio. Een interessante jonge dichter als Paul Éluard heeft er de boekcritiek te houden. Tal van schrijvers lezen voor uit eigen werk. In Duitschland worden twee, drie literaire onderwerpen per dag behandeld. Een blik in de Luistergids kan u daarvan overtuigen. En hier! Wat doet Hilversum voor de literatuur? Laat staan voor den jongere letterkunde? Niets, niets, niets’.4

Van Eckeren en Greshoff hadden het gelijk hier niet geheel aan hun zijde, want vanaf eind 1925 werden er wel degelijk literaire lezingen op de Nederlandse radio gehouden.5 Het ging hier echter niet om een structureel fenomeen, dat wekelijks op een gereserveerd tijdslot in de programmering kon rekenen. Wat dat betreft had de Nederlandse radio inderdaad een achterstand ten opzichte van de situatie in het buitenland, waar op meer regelmatige basis aandacht werd besteed aan literatuur.6

Deze achterstand werd ingehaald vanaf 28 februari 1928, toen de AVRO onder leiding van P.H. Ritter Jr. de eerste Nederlandse literaire rubriek lanceerde. In haar kielzog volgden ook de andere omroepen die na het Zendtijdenbesluit van 15 mei 1930 de meerderheid van de zendtijd zouden vergaren: de KRO (per 3 maart 1928), de NCRV (per 7 januari 1929) en de VARA (per 6 augustus 1930). Hoewel de uitzendingen in deze rubrieken gemiddeld zo’n twintig minuten duurden, werden ze in radiogidsen over het algemeen aangeduid als ‘literair halfuurtje’, ‘letterkundig halfuurtje’ of ‘boekenhalfuurtje’. Om een indruk te geven van de invulling van zo’n halfuurtje, geef ik in tabel 1 per omroep de verdeling weer van de verschillende typen bijdragen aan de literaire rubriek:

Table 1. Aandeel van verschillende typen bijdragen aan de literaire rubrieken per omroep, uitgedrukt in percentages (n = aantal lezingen per omroep in de periode 1928–1940).7


Type bijdrage AVRO (n=714) KRO (n=486) NCRV (n=270) VARA (n=412)

Algemene lezing 12% 32% 39,5% 18%
Boekbespreking 86% 64% 52% 65%
Declamatie 1% 3% 8,5% 17%
Interview 1% 1% 0% 0%

Van de soorten bijdragen waartussen wordt gedifferentieerd, behoeft de ‘algemene lezing’ allicht enige toelichting. Het gaat hierbij om causerieën die geen betrekking hadden op een specifiek boek, maar zich veeleer richtten op complete oeuvres of actuele literaire kwesties, zoals de taak van de dagbladkritiek, de Boekenweek of de stand van zaken in de contemporaine dichtkunst. Zoals tabel 1 laat zien, werd bij de KRO en de NCRV relatief veel ruimte aan dit genre geboden, mogelijk omdat katholieke en protestantse literatoren eind jaren twintig sterk op zoek waren naar een distinctieve literaire identiteit: algemene reflecties over de vraag ‘Hebben wij een eigen christelijke literatuur?’ of ‘het internationaal karakter der katholieke letteren’ zijn typische uitingsvormen van een dergelijke zoektocht.8 Voor alle omroepen geldt echter dat de (grote) meerderheid van de lezingen uit boekbesprekingen bestond, al dan niet in de vorm van een stapelrecensie.

Zulke boekbesprekingen passen goed in het beleid van de Nederlandse radioverenigingen, zoals zich dat medio jaren twintig ontwikkelde. Mediahistorici hebben herhaaldelijk benadrukt dat de omroepen streefden naar een culturele en opvoedende taak, waarvan literaire vorming als onderdeel kan worden beschouwd.9 Desalniettemin is er tot op heden erg weinig geschreven over de literatuurbeschouwing op de radio, een leemte die ik met mijn onderzoek probeer op te vullen. In algemene mediahistorische studies wordt nauwelijks aandacht aan het genre besteed: de literatuurbeschouwing op de radio wordt hoogstens genoemd als middel ‘om culturele ontplooiing te bevorderen’ bij het luisterend publiek.10 Wat meer informatie bieden historische schetsen over specifieke omroepen, die over de KRO en de NCRV voorop.11 In zijn geschiedenis van de KRO noemt A.F. Manning bijvoorbeeld niet alleen de namen van frequente sprekers in de literaire rubriek, maar doet hij ook meer interpretatieve uitspraken over het programma – zo signaleert hij dat boeken buiten de ‘veilige katholieke kring’ nauwelijks besproken werden en concludeert hij dat de rubriek ‘geen signaalpost voor artistieke vernieuwing’ was.12 Een dergelijk gematigd karakter is volgens Cornelis Rijnsdorp ook karakteristiek voor het stichtelijk-didactische literaire programma van de NCRV, dat in zijn ogen een ‘sterk onderwijzende inslag’ had.13 Die generaliserende opmerking wordt echter niet aan de hand van concrete lezingen geïllustreerd.

Ook in de letterkundige neerlandistiek is er niet uitvoerig gereflecteerd op de literatuurbeschouwing op de Nederlandse radio (al dan niet in het Interbellum). De meeste informatie biedt de omvangrijke documentatie van P.H. Ritter Jr.’s radiowerk door Jan J. van Herpen: niet alleen heeft hij verschillende correspondenties en poëticale aantekeningen van de AVRO-leider bezorgd, maar hij geeft ook een historische schets van de ontwikkeling van de literaire rubrieken.14 Over specifieke mediale kenmerken van literaire radiolezingen schrijft Van Herpen echter niet. Zeer en passant gaat het daar wel over in de klassieke studie Over kritiek en critici van Martien de Jong, waarin de radiokritiek wordt aangeduid als een genre ‘waarbij de criticus zijn tekst voorleest’ – een formulering waarmee de literaire radiolezing eerder als performance dan als opzichzelfstaand fenomeen wordt gemarkeerd.15

Andere karakteriseringen van het genre focussen meer op de inhoudelijke of communicatieve aspecten ervan. Zo omschrijft Nop Maas de radioliteratuurbeschouwing in termen van boekpromotie: de radio was een middel om boeken onder (de aandacht van) het volk te brengen, waarbij de notie ‘promotie’ ook een commerciële connotatie heeft (boekhandels verkochten immers meer van werken die positief besproken werden).16 Koen Rymenants en Pieter Verstraeten zetten veeleer in op het cultuurbemiddelende karakter van literaire radiolezingen: bij het spreken over literatuur zouden critici hun individuele smaakvoorkeuren verdoezelen, ‘ten voordele van een neutrale(re) bemiddelaarsrol’.17 Zij bedoelen daarmee dat de criticus in een radiovoordracht vooral een didactische en opvoedende houding aanneemt: het gaat er niet om de luisteraar te overtuigen van de eigen (subjectieve) mening over een literaire tekst; de bedoeling is eerder om een lekenpubliek te wijzen op de (objectief ervaren) waarde van literatuur en het voor boeken te enthousiasmeren.

Daarmee kom ik terug op de onderzoeksvraag die ik stelde in de openingsalinea van dit artikel. De secundaire literatuur die tot nog toe over de literaire radiokritiek verschenen is, probeert steeds grip te krijgen op de invloed die het nieuwe medium radio had op de vorm en inhoud van een genre dat traditioneel op papier werd beoefend. Waar De Jong kort stilstaat bij de voorleesvorm, redeneren Maas en Rymenants & Verstraeten vanuit het publieksbereik van de radio: omdat het hier om een massamedium gaat waarmee een zeer gemêleerde groep luisteraars wordt aangesproken, die bij Maas wordt aangeduid als ‘het volk’ en bij Rymenants & Verstraeten als ‘een breed publiek’, vraagt de radio om een mediumspecifieke benadering van de literair-kritische werkwijze.18 Concreter wordt de radio in de secundaire literatuur over literatuurkritiek opgevat als een medium waarin de scherpe kantjes van het genre afwezig zijn: literaire lezingen worden gepresenteerd als behoudend, veilig of bemiddelend, of ze worden in promotionele sferen getrokken. Kennelijk gaat het hier niet om ‘echte’ literatuurkritiek, zoals die op papier beoefend wordt. Dat is een beeld dat ook bestaat in diverse internationale bronnen over het genre. De bemiddelaarsnotie speelt bijvoorbeeld een grote rol in Todd Avery’s verkenning van de relatie tussen literatuur en de BBC (hij spreekt, verwijzend naar het invloedrijke gedachtegoed van Matthew Arnold, van ‘a quasi-Arnoldian dissemination of culture to the listening masses’) en ook in de Weimarrepubliek was geen sprake van fundamentele literatuurkritiek: volgens Tatjana Jahnke en Oliver Davin verzandde deze zelfs in ‘nichtssagenden Lobäußerungen von Verlagsangehörigen’.19

figure1

Afbeelding 1

P.H. Ritter Jr (1882–1962)
Bron: http://middlebrow.nl/

Door te onderzoeken hoe de radioboekbesprekingen in het Interbellum zich verhielden tot hun papieren equivalenten in de dagbladkritiek, toets ik dit vigerende beeld in dit artikel aan de praktijk. Daarbij werk ik vanuit de presuppositie dat verschillende media verschillende recensiepraktijken opleveren. Die gedachte is gestoeld op de mediasociologische inzichten van Lisa Gitelman, die erop heeft gewezen dat media moeten worden opgevat als ‘socially realized structures of communication’: media hebben niet, zoals Friedrich Kittler volgens Gitelman veronderstelt, een intrinsieke technologische logica die hen tot sociale en economische krachten in zichzelf maakt, maar ze worden in essentie door mensen gemaakt en gecontroleerd.20 Dat betekent dat media altijd omringd worden door normen, die door Gitelman als ‘protocollen’ worden aangeduid. Zij operationaliseert dat concept als ‘a vast clutter of normative rules and default conditions, which gather and adhere like a nebulous array around a technological nucleus’.21 Omdat die definitie aan de vage kant blijft, getuige bijvoorbeeld het woord ‘nebulous’, hanteer ik in dit artikel een meer werkbare operationalisering: onder ‘protocollen’ versta ik (al dan niet geëxpliciteerde) normen en praktijken die een medium omringen, en die gebruikers van dat medium in de loop der tijd als vanzelfsprekend gaan ervaren. In de loop van de jaren twintig werd de radio bijvoorbeeld geconfronteerd met regelgevingen op het gebied van de volumeknop: wie grammofoons of radio’s op een storende manier gebruikte, kon vanaf 1927 in verschillende Nederlandse steden op boetes rekenen, waardoor de sociale praktijken rondom het medium veranderden.22 Meer impliciet waren intussen de protocollen met betrekking tot het luistergedrag in de jaren dertig. Zo weten we uit onderzoek van David Goodman dat radioprogramma’s in de meeste huishoudens vooral als achtergrondgeluid fungeerden: luisterervaringen waren niet zozeer intensief, alswel ‘distracted’.23

In het vervolg van dit artikel probeer ik de protocollen op het spoor te komen die een rol gespeeld hebben in de constituering van de Nederlandse literatuurkritiek op de radio. In de volgende paragraaf zal ik uiteenzetten hoe ik daarbij te werk ga. Vervolgens introduceer ik de twee critici aan wie ik de beschreven beeldvorming van literaire radiokritiek toets, P.H. Ritter Jr. (AVRO) en A.M. de Jong (VARA), en analyseer ik enkele van hun radioredes in relatie tot hun recensies in de krant. In de afsluitende paragraaf ga ik na wat deze vergelijking oplevert.

figure2

Afbeelding 2

A.M. de Jong (1888–1943)
Bron: A.M. de Jongmuseum, Nieuw-Vossemeer

Onderzoeksmethode

In de literaire rubrieken van de vier grote omroepen AVRO, KRO, NCRV en VARA spraken tussen 28 februari 1928 en 10 mei 1940 in totaal ruim vierhonderd literatuurcritici, van wie de meesten ook actief waren in de gedrukte media. Zoals ik hierboven al aangaf, heb ik ervoor gekozen twee van hen als case study centraal te stellen: P.H. Ritter Jr. en A.M. de Jong. De ratio achter die keuze is dat het hier de twee critici betreft die de meeste literaire halfuurtjes op de Nederlandse radio voor hun rekening namen: Ritter voert de lijst aan met 395 lezingen, terwijl De Jong met minstens 227 lezingen op de tweede plaats staat.24 Het betreft bovendien twee critici bij wie een gedetailleerde vergelijking tussen radiokritiek en dagbladkritiek daadwerkelijk uitvoerbaar is: niet alleen hebben Ritter en De Jong beiden een grote literair-kritische productie in de gedrukte media, maar in hun geval zijn ook voldoende radiolezingen bewaard gebleven om de praktijk van hun radiokritiek te bestuderen. Voorts gaat het hier om twee representatieve figuren: Ritter en De Jong traden allebei op als coördinator van de literaire rubriek van hun omroep.

In mijn analyse van de verhouding tussen radiokritiek en dagbladkritiek zal ik me in het bijzonder richten op de protocollen die uit de literair-kritische praktijk van Ritter en De Jong naar voren komen. De vraag is of zich hier een verschil aftekent tussen de verschillende media waarin deze critici hun vak beoefenden. In eerste instantie richt de analyse zich op de literatuurkritische idealen van Ritter en De Jong. Articuleerden zij specifieke protocollen voor de radio als literair-kritisch medium? Het antwoord op die vraag baseer ik op de essayistische productie van de beide recensenten, waarin ik specifiek op zoek ga naar ‘metakritische uitspraken’: passages waarin een criticus verwoordt hoe hij de taak van de literatuurkritiek opvat.25 De protocollen voor het nieuwe medium die uit deze metakritische uitingen naar voren komen, confronteer ik in de tweede stap van de analyse met de literatuurkritische praktijk van Ritter en De Jong. Die praktijk spits ik toe op besprekingen van boeken die de critici zowel in de krant als op de radio behandeld hebben: het zijn die kritieken die zich het best lenen voor een confrontatie van de protocollen van beide media. In de analyse daarvan zal ik mij vooral richten op de evaluatieve passages uit de besprekingen – een keuze die ik later nader motiveer.

De geschreven kritiek is in Ritters geval ontleend aan het Utrechtsch Dagblad, terwijl De Jong als dagbladcriticus actief was voor Het Volk. Waar exemplaren van deze kranten uit de periode 1928–1940 goed bewaard zijn gebleven, is de beschikbaarheid van de radiokritieken van Ritter en De Jong een problematischer gegeven. Dat is een bekend probleem in het onderzoek naar vooroorlogse radioprogramma’s: de meeste lezingen zijn letterlijk in de ether vervluchtigd. Van Ritter worden echter tientallen manuscripten van boekenhalfuurtjes bewaard in het Letterkundig Museum in Den Haag, terwijl het archief van de Radio Omroep Contrôle Commissie in het Nationaal Archief over meer dan honderd typoscripten van De Jongs lezingen beschikt.26 Hoewel dat voor radiobegrippen relatief grote corpora zijn, blijft het een heikele kwestie dat zo veel informatie verloren is gegaan: het is bijvoorbeeld moeilijk om ontwikkelingen te schetsen in de wijze waarop Ritter en De Jong boeken bespraken voor de microfoon. Omdat het in het onderhavige onderzoek primair gaat om de vergelijking tussen radio- en dagbladkritiek, heb ik echter dankbaar van de beschikbare archieven gebruik kunnen maken.

De metakritische opvattingen van P.H. Ritter Jr.: een ‘slippertje’ naar de lichtere kant

Gedurende het Interbellum genoot Pierre Henri Ritter Jr. (1882–1962) een stevige reputatie als letterkundig popularisator. Op 1 september 1918 was hij benoemd tot hoofdredacteur van het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, waarin hij (onder meer) wekelijks kronieken over literatuur schreef. Bij aanvang van de literaire AVRO-rubriek begin 1928 stond Ritter nog altijd aan het roer van de krant, wat de omroepleiding bevallen moet hebben: niet alleen indiceerde zijn hoofdredacteurschap dat hij over organisatorische kwaliteiten beschikte; ook straalde het prestige van die functie mogelijkerwijs af op de autoriteit van de nieuwe rubriek. Iets gelijksoortigs kan worden opgemerkt over Ritters talloze andere activiteiten in de literaire wereld: hij publiceerde in vele (publieks)tijdschriften, verzorgde letterkundige lezingen aan verschillende volksuniversiteiten en schreef diverse boeken, brochures en inleidingen.27

Op grond van zulke inspanningen kan Ritter ook wel omschreven worden als een cultuurbemiddelaar, die met zijn literaire radioprogramma mikte op de ‘gewone man’. Fameus is de uitspraak die Van Herpen jaren na Ritters dood aan de criticus toeschreef: ‘De Bonte Dinsdagavond Trein is er voor professoren, doktoren en advocaten, mijn Boekenhalfuur is er voor de man in de straat’.28 In deze woorden speelt Ritter een spel met de geijkte beeldvorming over cultuurparticipatie: de ‘lage’ bonte avond wordt stiekem genoten door de hoogopgeleide elite, terwijl het ‘hoge’ boekenhalfuur gericht is op de gemiddelde man. Op de radio is de literaire kritiek er niet voor een ingewijd nichepubliek, suggereert Ritter, maar voor een algemene groep luisteraars.

Dat laatste standpunt heeft Ritter het meest expliciet verwoord in zijn bijdrage aan het Radio Jaarboek 1932: ‘De leider van een letterkundige omroeprubriek mag nooit uit het oog verliezen, dat het zijn eerste taak is, de in literatuur belangstellende landgenoot het beste en actueelste te brengen op literair gebied, al maakt hij dan wel eens een slippertje naar de regionen van de lichtere kant’.29 Blijkens deze metakritische uiting moet de radiokritiek zich volgens Ritter richten op eenieder die interesse heeft in literatuur, en tot die groep behoren – zoals de criticus duidelijk maakte in zijn opstel ‘De culturele betekenis van de radio’ – allerlei uitersten: ‘De Radio is een instituut voor gewone mensen, en u moet daaronder niet alleen verstaan de figuur die als “Jan met de pet” betiteld wordt, maar ook de Nobelprijswinnaar, wanneer hij, na een nieuwe theorie over het licht te hebben opgesteld, een kopje thee drinkt bij zijn vrouw’.30 Ten opzichte van dit heterogene publiek vervult de criticus een poortwachtersfunctie: idealiter bespreekt hij uit het actuele literaire aanbod het ‘beste’ voor de microfoon.

Toch gaat het op de radio om meer dan the best which had been thought and said in the world: zo nu en dan moet er een ‘slippertje naar de regionen van de lichtere kant’ worden gemaakt. De keuze voor het woord ‘slippertje’ moet in eerste instantie als culturele positiebepaling worden opgevat: het eigenlijke terrein van de literatuurcriticus behelst de hoge cultuur en de reflectie op cultuurvormen van ‘de lichtere kant’ is een vorm van literair-kritisch vreemdgaan. Toch is dit culturele overspel in Ritters optiek strikt noodzakelijk. Om dat te begrijpen, moeten we ons beroepen op een tekst die niet expliciet over radiokritiek gaat, namelijk De sociale beteekenis van de amusementsliteratuur (1926). Daarin constateerde Ritter dat de Nederlander bezig was zich af te keren van het serieuze boek, ten faveure van niemendalletjes uit de amusementsindustrie. Op grond daarvan achtte hij de Nederlandse (lees)cultuur in gevaar, maar het leek hem niet verstandig het amusementsgenre hautain terzijde te schuiven. Immers: ‘Regeneratie kan alleen opkomen uit de bij voorbaat aanwezige volksbelangstelling, het ernstige boek kan niet aan het volk worden opgelegd’.31 Met andere woorden: wil een cultuurbemiddelaar de Nederlandse burger écht aan het lezen krijgen, dan zal hij moeten inspelen op de belangstelling van de gemiddelde lezer en diens interesse moeten winnen via de genres die hij verkiest. Effectieve cultuurbemiddeling beroept zich zo bezien op een trapmodel: in plaats van verantwoord bevonden literatuur aan het publiek op te leggen, moeten voorlichtende critici het langzaamaan laten opkrabbelen naar een hoger peil van literaire competentie.

Deze visie heeft consequenties voor de manier waarop Ritter zijn radiolezingen verzorgde. Hij meende namelijk – en in dat opzicht is hij illustratief voor de eerder genoemde bemiddelaarsnotie van Rymenants en Verstraeten – dat zijn literaire smaak niet leidend mocht zijn bij de keuzes die hij als radiocriticus maakte: de selectie van de besproken werken diende ‘wel met eigen oordeel, maar niet met eigen voorkeur’ te geschieden.32 Het ‘oordeel’ heeft daarbij betrekking op de vraag of een specifiek boek ‘literaire waarde’ bezit, een begrip dat door Ritter in het geheel niet geproblematiseerd wordt: voor de criticus is ‘literaire waarde’ een objectief fenomeen dat op grond van tekstintrinsieke eigenschappen kan worden vastgesteld door letterkundig ontwikkelde personen met ervaring in de boekbeoordeling. Teksten die een dergelijke lakmoesproef doorstaan, en die bovendien op ‘algemene belangstelling’ kunnen rekenen, komen bij Ritter in aanmerking voor selectie in de literaire radiorubriek. De eigen ‘voorkeur’, die te interpreteren is als de particuliere smaak van de criticus, speelt in dat proces idealiter geen rol. Zelf spreekt Ritter in dit opzicht van de ‘regel’ dat de radioboekbespreker ‘zich richte naar een objectief, niet naar een subjectief criterium’.33

Heel duidelijk komt deze theorie tot uitdrukking in Ritters visie op negatieve kritiek. Hij was er geen voorstander van een boek voor de microfoon af te kraken, omdat hij meende dat de luisteraars daardoor nog verder van de literatuur weggedreven zouden worden. Wanneer de gemiddelde luisteraar geconfronteerd werd met een negatieve recensie, leidde dat in Ritters optiek tot een gedachte als: ‘Waarom zouden wij ons als literaire boeken aangeprezen lectuur ter hand nemen, de meneer die het weet en die ons wil voorlichten, vindt ze al net zo slecht als de boeken die wij tot dusver hebben gelezen!’34 Deze projectie maakt scherp duidelijk hoe de criticus zijn eigen status zag: als recensent is hij ‘de meneer die het weet’, ergo een voorlichter met autoriteit. Wil hij zijn publiek ertoe bewegen ‘het waardeloze sensatie- of amusementsverhaal (…) te vervangen door het literaire boek’, dan kan hij die laatste categorie maar beter met vriendelijkheid bejegenen.35 Doet hij dat niet, dan loopt hij het risico dat de gemiddelde luisteraar wederom naar een pulpschrijfster als Hedwig Courts-Mahler grijpt.

Wie deze metakritische reflecties in het licht van Gitelmans protocolbegrip beschouwt, constateert dat Ritter enerzijds aanstuurt op een objectiviteitsprotocol – subjectieve smaakoordelen horen niet op de radio thuis – en anderzijds op een positiviteitsprotocol: hij stelt de norm dat er in de ether geen negatieve oordelen geveld mogen worden. Het is belangrijk te beseffen dat deze particuliere visie aansloot bij de ideologie van de AVRO, waarin ‘neutraliteit’ een kernwoord was. Het is echter al te simplistisch om Ritters opvattingen over de literaire kritiek op de radio met deze neutraliteitscultus te vereenzelvigen. Dat hij ‘detailkritiek’ voor de microfoon weigerde, betekende namelijk niet dat hij verzuimde zijn aanmerkingen ‘voor de goede hoorder tussen de regels te verstaan te geven’.36 De criticus mikte met zijn AVRO-bijdragen dus op een tweeledig publiek: aan de ene kant bediende hij de gemiddelde luisteraar die voorlichting behoefde en baat had bij een positief geluid; aan de andere kant was er de goede verstaander die in staat werd geacht het daadwerkelijke oordeel over het besproken boek te ontsluieren.37

De metakritische opvattingen van A.M. de Jong: volksopvoeder met slagzwaard

Waar Ritter als letterkundig popularisator alomtegenwoordig was in de neutraal-liberale cultuur waar de AVRO deel van uitmaakte, genoot A.M. de Jong (1888–1943) een stevige reputatie in socialistische culturele kringen. Vanaf zijn toetreding tot de kunstredactie van het dagblad Het Volk in 1920 – de krant waarvoor hij tot 1940 kritieken en kronieken zou schrijven – ontplooide De Jong tal van activiteiten op literair en cultureel gebied. Hij was bijvoorbeeld gedurende twee perioden redactielid van het satirische maandblad De notenkraker (1920–1921; 1933–1935), redigeerde verschillende series in opdracht van uitgeverij Ontwikkeling en trad op als literair adviseur van de in 1926 begonnen Arboreeks. Daarnaast vervulde De Jong verschillende culturele taken binnen het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, wat als stevige indicator mag gelden voor zijn rol als cultuurbemiddelaar binnen het socialistische literaire circuit. De meeste (publieke!) bekendheid genoot hij echter als literair auteur: zijn romans over Merijntje Gijzen waren een doorslaand (verkoop)succes, waardoor De Jong een groot literair overwicht had binnen de socialistische zuil.38

De Jong trad in juni 1930 in dienst bij de VARA, die vergeleken met de AVRO en de confessionele omroepen pas laat met een literaire rubriek kwam. Dat had eerder te maken met onmacht dan met omwil: voor het Zendtijdenbesluit van mei 1930 beschikte de socialistische omroep simpelweg niet over genoeg zenduren om een dergelijke rubriek mogelijk te maken. De Jong behoorde tot de grote groep nieuwe gegadigden die de VARA in razendsnel tempo aannam nadat zij de jarenlange strijd om meer zendtijd gewonnen had.39 Geheel zonder slag of stoot ging dat niet, want omroepsecretaris Gerrit Zwertbroek twijfelde erover of de literator een geschikte microfoonstem had.40 Uiteindelijk was het De Jongs reputatie die de doorslag gaf: de grote bekendheid van de auteur zou het imago van de VARA ten goede kunnen komen, aldus het omroepbestuur.

In tegenstelling tot Ritter heeft De Jong geen teksten gepubliceerd waarin hij zijn taakopvatting als radiocriticus uiteenzette. Op basis van zijn algemene metakritische uitingen durf ik echter te stellen dat hij prima binnen de VARA-gelederen paste. Die omroep droeg namelijk het cultuurideaal uit dat kunstuitingen voor de enkeling beschikbaar gemaakt moesten worden voor de massa.41 Al in november 1918, op twintigjarige leeftijd, liep De Jong vooruit op een dergelijke volksverheffende gedachte, toen hij in De Nieuwe Stem een lans brak voor gemeenschapskunst: ‘Door z’n opneming in de grote, levende massa erlangt de kunstenaar z’n hoogste kracht. Maar daar staat tegenover, dat diezelfde massa hem behoeft, hem nodig heeft om haar in zekere dingen te leiden en voor te lichten’.42 Deze visie op de kunstenaar/criticus als voorlichter verbindt De Jong met Ritter, maar de inzet van hun cultuurbemiddelende praktijk verschilt verder sterk. Waar Ritter immers meende dat de gemiddelde lezer zelf geneigd was af te dwalen van de literatuur, stelde De Jong de zaken tegenovergesteld voor: de literatuur zou verzand zijn geraakt in hoogmoed en navelstaarderij, waardoor de gewone mens in het algemeen en de arbeider in het bijzonder als potentiële lezers uitgesloten werden. De Jongs uitspraak in een interview met G.H. ’s-Gravesande in 1928 is exemplarisch:

‘Wat kan het een arbeider schelen hoe een leeglopende, piekerende intellectueel in bars komt en wat daar allemaal voor ingewikkeldheden uit voortvloeien. Dacht u dat hij belang stelde in fijn uitgesponnen psychologie en pathologie, neurasthenie en psycho-analyse? Geef het [volk] mensen, sterke, gezonde, zwakke, zieke, maar geen psychische constructies zonder bloed en zinnen’.43

In De Jongs ogen was de negentiende eeuw, en meer specifiek de Beweging van Tachtig, aansprakelijk voor het elitaire karakter van de letterkunde en de daarmee samenhangende kloof tussen kunst en volk. De socialistische kunst die de VARA-criticus propageerde had dan ook de opdracht de band met de maatschappij te herstellen en en passant de daarin bestaande (klasse)verhoudingen zichtbaar te maken.44

Het meest expliciet heeft De Jong op de afstand tussen kunst en volk gereflecteerd in zijn brochure De arbeider en het boek (1927), die ook wel als manifest voor cultuurbemiddeling gelezen zou kunnen worden. Daarin betoogde de criticus in naam van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling dat de arbeider stiefmoederlijk behandeld is in de literatuur vanaf de negentiende eeuw. In de eerste plaats meende De Jong dat de burgerlijke samenleving nauwelijks boeken voor de arbeiders beschikbaar zou hebben gesteld, en de lectuur die aangeboden werd, beschouwde hij als ‘geestelik straatvuil’.45 Daarnaast school er een fundamenteel probleem in de letterkunde zelf: die zou gericht zijn op ‘de aandacht en de behoeften en het begrip van een bevoorrechte klasse, en onder haar eigenlijk nog maar van een kleine elite van intellektuelen en die er voor willen worden aangezien’.46 Deze voorstelling van zaken behoeft beslist nuance. De Jongs tweede kritiekpunt is immers van poëticale aard, terwijl bij het eerste probleem de nodige historische kanttekeningen kunnen worden geplaatst: er waren in de negentiende eeuw wel degelijk initiatieven op het terrein van de volksontwikkeling.47 Desalniettemin werd de door De Jong gesignaleerde kloof in de jaren twintig breder gevoeld.48 Met de oproep waarmee hij De arbeider en het boek afsloot, was hij dan ook geen roepende in de woestijn: ‘Laten degenen onder ons, die reeds met het boek vertrouwd zijn, al hun krachten inspannen om de anderen door hun geestdrift en beschavingswil aan te steken en ook hen tot het boek te voeren’.49

Op het eerste gezicht lijken die ‘geestdrift’ en ‘beschavingswil’ te wijzen in de richting van het positiviteitsprotocol waar Ritter in zijn metakritische reflectie op aanstuurde. Blijkens een brief aan de socialistische dichteres Margot Vos zag De Jong echter weinig heil in louter positieve kritiek. Vlak na zijn benoeming bij de VARA, op 29 juni 1930, schreef hij haar over de radio: ‘Er gaat een enorme invloed van uit en het kabaal tegen de Vara heeft z’n betekenisvolle ondergrond. Maar over dat alles praten we wel es uitvoeriger en hoe ik het slagzwaard hanteren zal, blijkt van zelf. Ik hoop met schwung: ‘k heb nog lang geen vijanden genoeg!’50 Met ‘het kabaal tegen de VARA’ duidde De Jong op de maatschappelijke commotie rond de socialistische omroep, die haar programma’s onder andere inzette voor propagandadoeleinden en een polemische bestrijding van de zittende regering. De metafoor van het slagzwaard haakt aan bij die strijdcultuur, die op basis van De Jongs afsluitende woorden verbreed kan worden naar het domein van de literaire kritiek: kennelijk wilde de criticus in zijn boekenhalfuurtjes literaire vijanden maken met behulp van een verbaal slagzwaard. Het ging De Jong dus niet alleen om (‘objectieve’) volksopvoeding, maar zeker ook om (‘subjectieve’) polemiek. Zijn metakritische opmerkingen impliceren dan ook dat het objectiviteitsprotocol en het positiviteitsprotocol niet gegeneraliseerd kunnen worden naar de gehele radiokritiek.

Een expliciet protocol: de radiocensuur en de literaire kritiek

Alvorens ik die laatste constatering toets aan het corpus, is het belangrijk stil te staan bij een externe invloed op de vorm en inhoud van de literaire radiokritiek: de censuur. In de praktijk was het voor De Jong beslist niet gemakkelijk het slagzwaard te hanteren in zijn literaire rubriek, want de VARA werd nauwlettend in de gaten gehouden door de op 9 mei 1930 ingestelde Radio Omroep Controle Commissie (ROCC), die gedurende de jaren dertig een vorm van preventieve en repressieve censuur uitoefende op de Nederlandse radio. In zijn omvangrijke proefschrift over de ROCC verklaart Huub Wijfjes de vanzelfsprekendheid waarmee de censuur zijn intrede kon doen aan de hand de christelijk genormeerde opvattingen over zedelijkheid die in het liberaal-confessionele politieke bestel konden resulteren in staatsbevoogding.51 Daarnaast wijst hij op de wijdverbreide opvattingen over de radio als een medium met een flagrante uitwerking op het luisterende publiek: door haar vermogen duizenden luisteraars op hetzelfde moment te bereiken, was het des te relevanter de potentiële maatschappelijke invloeden van de nieuwe technologie te kanaliseren.52

Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vroeg de rocc liefst 9453 programmateksten op; in 1065 daarvan zijn preventieve schrappingen aangebracht, 398 programma’s of afgeronde onderdelen daarvan zijn totaal verboden en in 138 gevallen werd er repressief ingegrepen.53 Ook de literaire rubrieken ontkwamen niet aan deze censuur, hoewel er op dat vlak grote verschillen tussen de omroepen bestonden. Wat Ritter betreft geldt dat zijn rubriek relatief kort onder toezicht van de rocc heeft gestaan. Naar eigen zeggen stelde hij er ‘eer’ in zijn radiolezingen nooit te zien afgekeurd, en ook bij andere sprekers in zijn rubriek drong de literaire AVRO-leider erop aan dat zij hem voorafgaand aan de uitzending inzage verleenden in hun causerie.54 Daaruit blijkt mooi hoe de institutionalisering van de censuur invloed uitoefende op de vorm van radioboekbesprekingen als ‘voorgelezen recensies’: het bestaan van de rocc intensiveerde de noodzaak een radiorede geheel uit te schrijven.

In maart 1931 werd Ritter beloond voor zijn ijver: de rocc ontsloeg hem van de plicht teksten uit de literaire AVRO-rubriek toe te zenden, omdat ze structureel niet tot problemen leidden.55 Desalniettemin bleef hij strikt toezien op de inhoud van de lezingen uit zijn rubriek – soms zocht hij zelfs contact met de controlecommissie om na te gaan of zijn inschattingen correct waren, naar eigen zeggen omdat een ingreep van de rocc ‘fnuikend’ zou zijn voor zijn positie bij de AVRO.56 De Jong moet jaloers zijn geweest op Ritters autonomie (voor zover hij ervan op de hoogte was), zeker toen de rocc negatief reageerde op diens verzoek van 21 februari om vrijgesteld te worden van de controle, aangezien zijn vorige honderd lezingen zonder bezwaar waren uitgezonden.57 De reputatie van de VARA zal een belangrijke rol hebben gespeeld in die beslissing, maar ook De Jongs imago als literator kan van invloed zijn geweest: in 1930 was een hoorspelbewerking van diens boek Frank van Wezel’s roemruchte jaren nog afgebroken vanwege het platte taalgebruik en de kritische benadering van het leger in de tekst.

figure3

Afbeelding 3

De Jongs Colman-lezing. Bron: Nationaal Archief, Den Haag

Na 1933 kreeg De Jong echter wel degelijk te maken met censuurlijke ingrepen. In de meeste gevallen gingen die niet verder dan het schrappen van bepaalde passages, zoals in zijn lezing over Die in het donker van Jan Campert (12 januari 1935), waarin het woord ‘kapitalistische’ moest worden verwijderd uit de zin ‘Maar in de kapitalistische wereld, het is de laatste vreselijke jaren maar al te duidelijk gebleken, is niemand veilig’.58 De verantwoordelijke censor zal in deze formulering al te zeer een kritiek op het liberalisme hebben gezien en zulke aanvallen op andersdenkenden werden in een cultureel programma als het boekenhalfuurtje niet geduld. Problematisch ook was deze passage uit de conclusie van De Jongs bespreking van F. Bordewijks beroemd geworden novelle Bint (10 oktober 1935):

‘Het heeft er inderdaad veel van, alsof de heer Bordewijk met een ziekelijke voorkeur voor het stuitende behept is. Hij spant zijn uiterste krachten in om stuitende voorstellingen te wekken, stuitende gebeurtenissen te verzonnen [sic], stuitende theorieën op te hangen. Hij zwelgt in het stuitende, het afstotend abnormale, het afzichtelijke’.59

In dit geval schuilt het probleem niet zozeer in een wereldbeschouwelijke kwestie, alswel in de persoonlijke aanval op de auteur Bordewijk, die door De Jong als een ziekelijk figuur wordt afgeschilderd. Deze ingreep is exemplarisch voor de invloed die de door de rocc gehanteerde protocollen hadden op de praktijk van De Jongs radiokritiek: zijn soms zeer directe stijl van recenseren, die hij in Het Volk probleemloos kon hanteren, liep op de radio het risico door de censuur te worden gesmoord. De woorden waarmee de criticus zijn bespreking van Bint wilde afsluiten, en die eveneens door de rocc werden geschrapt, zouden gelezen kunnen worden als een aanklacht tegen die inbreuk op zijn literair-kritische stijl: ‘Als het boek is, wat het pretendeert, dan spijt het mij, geen scherper woorden tot mijn beschikking te hebben om het prijs te geven aan de verachting, die het verdient’.60 De passage ‘geen scherper woorden tot mijn beschikking te hebben’ zou hier gelezen kunnen worden als een subversieve verwijzing naar de rocc, die De Jong belet te zeggen wat hij daadwerkelijk van Bint vindt. In elk geval stond de censuurcommissie de criticus toe zijn tekst in aangepaste vorm uit te spreken, zodat hij op zijn minst gewag kon maken van zijn inhoudelijke kritiek op Bordewijks novelle. Op enkele andere momenten werd De Jongs lezing in het geheel verboden. In die gevallen school de problematiek echter niet zozeer in de stijl van de criticus, alswel in de selectie van de besproken boeken, die veelal (homo)seksuele thema’s aansneden die in strijd waren met de zedelijke normen van de rocc.61

Al met al had de censuur, zeker in het geval van De Jong, een niet te onderschatten invloed op de wijze waarop de literaire radiokritiek vorm kreeg. Omdat de rocc werkte met wettelijk vastgelegde regels, kan hier het beste gesproken worden van een reeks expliciete protocollen die de radio(literatuurbeschouwing) reguleerden: iedere criticus had zich aan deze normen te houden en kon worden gecorrigeerd bij overtreding ervan. Anders werkte dat voor de normen die ik in de eerste stap van mijn analyse reconstrueerde. Dat zal ik laten zien in de volgende paragraaf, waarin de metakritische theorie met de praktijk van recenseren wordt geconfronteerd.

Impliciete protocollen: verschillen tussen radiokritiek en dagbladkritiek

Om te toetsen hoe de dagbladkritieken en de radiokritieken van respectievelijk Ritter en De Jong zich tot elkaar verhielden, vertrek ik zoals gezegd vanuit besprekingen van boeken die de critici zowel in de krant als op de radio behandeld hebben. Omdat de eerste stap van de analyse aan het licht bracht dat de twee critici geen gedeelde normen hadden over objectiviteit en positiviteit, concentreer ik me hier voornamelijk op de evaluatieve passages uit hun boekbesprekingen: welke waardeoordelen spreken Ritter en De Jong uit in hun recensies en hoe worden deze in elk medium onderbouwd? Ik heb ervoor gekozen om te vertrekken vanuit negatieve dagbladbesprekingen, die door beide critici geregeld werden gepubliceerd. Die lenen zich het beste om de werking van het positiviteitsprotocol aan de praktijk te toetsen: wat blijft er op de radio over van een kritische recensie in de krant?

Een eerste casus betreft de bespreking over E. du Perrons roman Het land van herkomst (1935) die Ritter op 25 mei 1935 verzorgde in het Utrechtsch Dagblad. In die recensie oordeelt de criticus negatief over Du Perrons kwaliteiten als romancier, omdat de inhoud van zijn boek te veel leunt op filosofische bespiegelingen. Hoe interessant die ook mogen zijn: wie een roman schrijft, moet in Ritters ogen daadwerkelijk een verhaal te vertellen hebben, bevolkt door geloofwaardige personages in een overtuigend geschetste wereld. Dat is een kunst die Du Perron volgens de criticus niet beheerst, net zo min als enkele andere auteurs met het genre uit de voeten kunnen:

‘Ter Braak probeerde zijn gedachtenleven met menschelijke gestalten te omringen, en bleek een even slecht romancier als hij vernuftig kritikus werd. Helman poogde zijn verbeeldingen te concretiseren: hij trachtte zijn “stof” uit zijn fantasie te bouwen, zooals Ter Braak het deed uit zijn vernuft. Maar geen van beiden werden eigenlijk behoorlijke romanschrijvers. En nu is Du Perron dat met zijn “Land van Herkomst” ook niet geworden. Dit boek geeft ons de openbaring van een zeldzamen geest, maar niet van een architect van romankunst’.62

Ritter verwijst hier naar de in zijn ogen mislukte recente romans Dr. Dumay verliest… (1933) van Menno ter Braak en Waarom niet? van Albert Helman (1934). Ter Braak en Helman behoorden evenals Du Perron tot een jonge generatie schrijvers die literair experiment niet uit de weg ging en die brak met de conventies van het idealistisch-realistische proza dat in de eerste decennia van de twintigste eeuw de toon had bepaald.63 In dat opzicht kan Ritters kritiek als literaire positiebepaling worden geïnterpreteerd: als exponent van de ‘oudere’ garde neemt hij hier stelling tegen de jongerenbeweging, die hij in intellectueel opzicht weliswaar waarderen kan (Du Perron, bijvoorbeeld, is ‘een zeldzamen geest’), maar die niet past in de conservatieve visie op ‘romankunst’ die Ritter erop nahoudt.

Deze negatieve taxatie van Het land van herkomst krijgt in Ritters radiolezing van 2 juni 1935 een geheel andere vorm. In deze lezing geeft de criticus eerst een uitgebreide samenvatting en interpretatie van de roman – conform de voorlichtende functie die de radiokritiek in zijn ogen vervulde – om vervolgens over te gaan tot een evaluatie van het gelezene. In eerste instantie snijdt Ritter daarbij een kritiekpunt aan dat in zijn dagbladbespreking niet aan de orde komt: ‘Ik zou mijn taak niet goed begrijpen, indien ik verzuimde op zedelijke bezwaren te wijzen. (…) Die zijn er ook in het boek van Du Perron, het is niet een boek voor eenieder, zeer zeker niet voor opgroeiende jeugd, al zijn het dan maar enkele momenten, waartegen ik moet waarschuwen’.64 Hier zijn, mogelijk onder invloed van de censuur, de zedelijke normen aan het werk die de radio gedurende de jaren dertig in hun greep hielden: Het land van herkomst bevatte enkele seksueel getinte passages, die Simon Vestdijk ertoe verleidden op te merken dat de roman een ‘oncalvinistische operhartigheid’ had.65 Voor het publiek van het Utrechtsch Dagblad vormde dat kennelijk geen probleem, maar de taak van de criticus op de radio was anders: bij de AVRO was Ritter niet alleen boekbespreker, maar in zekere zin ook zedenmeester.

figure4

Afbeelding 4

De jonge Albert Helman (1903–1996)
Bron: http://michelconci.blogspot.nl/2012/03/de-spaanse-burgeroorlog.html

Het tweede voorbehoud uit Ritters radiolezing is terug te voeren op de kritiek die hij eerder in de krant had geuit. De kritische aanmerking wordt echter ogenblikkelijk van een tegenwerping voorzien:

‘Evenmin als andere zeer verdienstelijke schrijvers der jongere generatie is Du Perron erin geslaagd een roman te geven, een werk waarin het leven volkomen is geobjectiveerd. Ook dit boek blijft teveel aan de essayistische kant. Maar de schrijver is er innemend in geslaagd de geesteshouding te teekenen van zoovelen, die op de kentering staan tusschen het verdwijnend individualisme, waarvan zij geen afstand kunnen doen, en het groeiend collectivisme, waar zij zich niet bij kunnen aansluiten. Du Perrons boek blijft, hoe men het beschouwe, een zeer belangrijke uiting van de West-Europeesche geestesgesteldheid onzer dagen’.66

De kern van Ritters bezwaar is hetzelfde als in het Utrechtsch Dagblad: gemeten naar zijn poëticale maatstaven is Het land van herkomst te weinig een roman en te veel een subjectief relaas. Dat probleem is echter ondergeschikt gemaakt aan Du Perrons verdienstelijke tekening van het hoogst actuele innerlijke conflict tussen individualisme en collectivisme dat zijn hoofdpersonage doormaakt. Wat in de dagbladkritiek nog een hoofdbezwaar was, wordt op de radio dus niet meer dan een kanttekening. Opvallend is daarnaast dat Ter Braak en Helman in het boekenhalfuurtje niet met name worden genoemd: de polemische verhouding tot de jongere generatie komt hier minder scherp uit de verf.

Treffender nog is het voorbeeld van Ritters bespreking van het eerder genoemde Waarom niet? van Helman. Op 27 januari 1934 schreef hij in het Utrechtsch Dagblad uiterst kritisch over die vuistdikke roman, waarbij het voornaamste pijnpunt de uitgesponnenheid van het boek betrof: ‘Het bezwaar is hierin gelegen, dat het innerlijk organisme van het boek niet aan den uiterlijken omvang beantwoordt’.67 Anders geformuleerd: Helmans roman is veel te dik voor wat hij feitelijk te zeggen heeft. Ritter signaleerde in dit opzicht een trend, die hij graag aan de kaak wilde stellen:

‘Dit is een boek in het platte vlak, een eindeloze legkaart van Helman’s filosofieën en droomerijen. Geen boek dat (…) als een man op ons afkomt! En dat allemaal, heel deze verknoeiing van een der merkwaardigste talenten uit onze heele literatuur, omdat Ina Boudier-Bakker het eenmaal in het hoofd gehaald heeft en terecht in het hoofd gehaald – want de omvang van haar boek was in overeenstemming met de psychische spanning – om een eindeloozen roman de wereld in te sturen. Nu meenen de uitgevers en de schrijvers in hun gevolg, dat het publiek boeken zal gaan koopen als ze maar goed lang zijn’.68

Qua aard lijkt deze evaluatie op Ritters kritiek op Du Perron: Helman wordt hier in principe geprezen om zijn schrijfvermogens (‘een der merkwaardigste talenten uit onze heele literatuur’), maar zijn aanpak kan geenszins op goedkeuring rekenen – daarvoor is deze roman teveel gericht op intellectualistische ‘filosofieën en droomerijen’. Dat Ritter de gesignaleerde disbalans tussen vorm en inhoud (of preciezer: ‘omvang’ en ‘psychische spanning’) uitgerekend contrastreert met het schrijverschap van Ina Boudier-Bakker (en meer specifiek haar roman De klop op de deur (1930)) is in die context veelbetekend: Boudier-Bakker was een typische representant van de idealistisch-realistische poëtica waarmee Waarom niet? brak. De kans is dan ook gering dat Helman zich in Ritters vergelijking herkend zal hebben.

Twee weken voor de negatieve recensie in het Utrechtsch Dagblad, op 14 januari 1934, besprak Ritter Helmans ‘kolos’ op de radio.69 Evenals bij Het land van herkomst focuste de criticus met name op de inhoud en de interpretatie van de roman. In de evaluerende bespiegelingen aan het slot van zijn radiolezing raakte Ritter, net als in de krant, aan het fundamentele kritiekpunt van de verhouding tussen omvang en spanning, maar wederom werd het bezwaar subiet ondermijnd:

‘Het is geen eisch voor een goed boek, dat het kort zij of dat het lang zij. Maar het is wel een eisch voor een goed boek, dat het vorm heeft, dat het een eenheid vertoont, dat het uitdrukking geeft van een bepaalde gedachte. Dat doet dit boek van Helman niet. (…) Maar het is een boek van Helman, en van de vele schitterende pagina’s, die erin voorkomen, raad ik toch, aan ieder die er den moed voor heeft, aan het ter hand te nemen, om het te lezen. Ik heb gezegd’.70

Opnieuw neemt een kritisch kernpunt uit het dagblad op de radio de vorm van een terzijde aan. Dat blijkt niet alleen uit de tegenwerping die onmiddellijk op de aanmerking volgt, maar ook uit de gehanteerde stijl: het objectief-registrerende ‘Dat doet dit boek van Helman niet’ steekt schril af bij de diskwalificatie in het Utrechtsch Dagblad (‘een boek in het platte vlak, een eindeloze legkaart van Helman’s filosofieën en droomerijen’). Opmerkelijk is bovendien de strekking van de lof waarmee Ritter zijn causerie besloot. Het advies aan de moedige luisteraar is hoofdzakelijk gebaseerd op een autoriteitsargument: Waarom niet? is geschreven door niemand minder dan Albert Helman. In de krant is dat juist een reden om tot een negatieve bespreking over te gaan, gezien de verspilling van talent die Ritter hier ontwaarde. Over ‘de vele schitterende pagina’s’ repte hij in het Utrechtsch Dagblad dan ook niet.

Deze twee voorbeelden, die in de literair-kritische praktijk van Ritter zeker geen incidenten genoemd kunnen worden, laten zien dat deze literatuurcriticus zijn rol afstemde op het medium waarin hij actief was. In het geval van de radio stonden het cultuurbemiddelende ideaal en het bijbehorende positiviteitsprotocol daarbij voorop – de goede verstaander kon altijd nog zijn conclusies trekken uit de kanttekeningen of zich wenden tot de krant. Het betreft een standpunt waarin Ritter beslist niet alleen stond: Top Naeff liet bijvoorbeeld aantekenen dat negatieve kritiek via de microfoon ‘uit den boze’ was.71 Toch blijkt uit de VARA-boekbesprekingen van A.M. de Jong, evenals uit zijn metakritische opmerkingen aan Vos, dat het positiviteitsprotocol geen mediumspecifiek bereik had. Ter illustratie wijs ik op de wijze waarop de socialistische criticus in de krant en op de radio oordeelde over De dood van Angèle Degroux (1933) van Hendrik Marsman. Op 21 november 1933 schreef De Jong een vernietigende recensie over die roman in Het Volk, waarin hij onder meer opmerkte:

‘Slechts in een opzicht blijkt deze verwonderlike heer Marsman te rijpen: zijn taal en stijl zijn heel wat minder krampachtig dan in vroeger werk. Maar overigens – nog altijd diep in de puberteit… Sommige mensen komen daar pas aan de verkeerde kant van de vijftig bovenuit. Enkelen: nooit…. Lankmoedigheid maar… kwaad doet het niet veel: buiten “het kringetje” van “de generatie” komt deze voos-onrijpe, ongezond opgeblazen “litteratuur” tóch niet!.’72

Het citaat toont aan dat De Jong ook op papier heel wat botter dan Ritter was: zelfs het ‘rijpen’ van de gerecenseerde auteur is hier vilein bedoeld, aangezien diens stijl nog altijd ‘diep in de puberteit’ is. Marsman wordt genadeloos weggezet als een aanstellerige individualist die alleen gesmaakt kan worden door een kleine niche van andere elitaire schrijvende pubers – ongetwijfeld doelt De Jong hier op de kring rond de vooruitstrevende tijdschriften Forum en De vrije bladen, die in zijn ogen schuldig is aan de kloof tussen kunst en volk die hij nu juist probeerde te dichten.

Ook op de radio zette De Jong dat standpunt uiteen, en wel op 23 december 1933. Hij fileerde het wereldbeeld van Marsman zelfs nog sterker dan hij in Het Volk gedaan had, zoals blijkt uit de passage waarin hij de auteur typeerde als een achterhaalde estheet die blind is voor de problemen in de wereld:

‘En al krepeert de wereld om hem heen in onduldbare nood, het zal tot zijn koude ziel niet doordringen, want het maakt geen schakel uit in de keten zijner welgestyleerde overpeinzingen, noch in die zijner geraffineerde analysen van een vrij bedorven liefdeleven. En het ergste, het afzichtelijke is dit: deze onmenschelijke hoogmoed wortelt in niets, dat men kan aanvoelen en eerbiedigen als groot of verheven. Zij wortelt in niets zichtbaars dan in de levenshouding van een kunstenaarsgeslacht uit een voorbije tijd, die andere noodwendig-heden kende en opriep dan de onze. En schrijvers als Marsman vergeten maar één ding: Wat eenmaal groot en schoon was, omdat het regelrecht uit het noodlot moest opstijgen, schrompelt ineen tot ziellooze belachelijkheid, wanneer het zich vertoont als pretentieuze navolging in een tijd, die een geheel ander noodlot kent…’73

figure5

Afbeelding 5

5e druk, 1963

De radiokritiek op De dood van Angèle Degroux is eerder een verdere uitdieping van de krantenrecensie dan een mildere variant daarvan, zoals we bij Ritter gezien hebben. De negatieve typeringen zijn niet op één hand te tellen: ‘koude ziel’, ‘het ergste, het afzichtelijke’, ‘onmenschelijke hoogmoed’, ‘kunstenaarsgeslacht uit een voorbije tijd’, ‘ziellooze belachelijkheid’, ‘pretentieuze navolging’. De Jong gebruikt de extra speelruimte die de radio biedt hier optimaal: in een lezing van twintig minuten kon hij vanzelfsprekend meer kwijt dan in een krantenrecensie van zo’n duizend woorden.

Conclusie

Dit artikel vertrok vanuit de gedachte dat er gedurende het Interbellum afwijkende protocollen zouden bestaan voor de literair-kritische media krant en radio. Voor de recensiepraktijken van P.H. Ritter Jr. en A.M. de Jong blijkt dat dit inderdaad het geval was: beide critici gingen anders om met hun dagbladkritieken dan met hun boekbesprekingen op de radio, waarbij de rol van de censuur in De Jongs geval niet onderschat moet worden. Toch laat mijn analyse zien dat de normen voor de literaire radiokritiek in het Interbellum beslist niet homogeen waren: waar Ritter ervoor opteerde een objectiviteits- en positiviteitsprotocol in het leven te roepen, die de bespreker ertoe aanzetten negatieve oordelen te verbloemen om de niet-ingewijde luisteraar niet af te schrikken, gebruikte De Jong de literaire rubriek juist als een verlengstuk van zijn kritische podium in Het Volk, waarbij afbrekend commentaar en subjectieve uitingen geen principieel probleem vormden.

De conclusie die hieruit getrokken moet worden, is dat het niet mogelijk is om mediale verschillen tussen krant en radio te generaliseren. In het geval van het onderzoek naar literatuurbeschouwing betekent dit dat de grootste voorzichtigheid betracht moet worden met homogeniserende uitspraken over de radiokritiek als genre. Zeker in de ontwikkelingsfase van de literaire rubrieken, waarin de radio nog een nieuw medium was en de invulling van de rubrieken onderhevig was aan de ideologische versplintering van het verzuilde omroepstelsel, verschilden de protocollen rond de literaire radiolezing van criticus tot criticus. Het onderzoek naar specifieke radiorubrieken – ook de niet-literaire – kan zich dan ook het best richten op de normen en discoursen van individuele sprekers.

Wanneer we de resultaten van dit onderzoek confronteren met het beeld van de literaire radiokritiek dat naar voren kwam uit de bestaande secundaire literatuur, dan dient dit beeld gecorrigeerd te worden. Radiocritici blijken in de praktijk niet altijd bemiddelend of promotioneel te werk te zijn gegaan: A.M. de Jong schrok er niet voor terug een boek voor de microfoon af te kraken. De concrete invulling van de bemiddelaarsrol verdient in die zin nader onderzoek. Hetzelfde geldt voor vele andere aspecten van de literaire radiokritiek die ik in dit artikel niet aan heb kunnen roeren. Met de constatering dat radiokritiek en dagbladkritiek van elkaar afweken, blijven immers nog vele vragen onbeantwoord. Hoe verhielden radio en krant zich bijvoorbeeld tot het literaire tijdschrift? Vertoonden boekbesprekingen ook mediale verschillen op stilistisch vlak? Hoe verhield de beeldvorming van literaire radiokritiek in het Interbellum zich tot die van de gedrukte kritiek? En hoe verhouden de bevindingen over de Nederlandse literatuurkritiek op de radio zich tot de internationale context? Het zijn alle kwesties die nader onderzoek verdienen, wil de academische receptie van de radiokritiek niet verzanden in een ‘eindeloze legkaart van filosofieën en dromerijen’.

figure6

Afbeelding 6

Bron: Universiteitsbibliotheek van de UvA.

Noten

1 Dit artikel is gebaseerd op het promotieonderzoek ‘Pioneering the Non-Print: Book Reviewing on Radio, Television and the Internet in the Netherlands, from the 1920s to the Present’, dat ik aan de Radboud Universiteit Nijmegen uitvoer onder begeleiding van prof. dr. Jos Joosten en dr. Mathijs Sanders.

2 G.J. Dorleijn, D. de Geest, K. Rymenants & P. Verstraeten, ‘Literaire kritiek in Nederland en Vlaanderen tijdens de jaren dertig: Een panorama’, in: idem (red.), Kritiek in crisistijd. Literaire kritiek in Nederland en Vlaanderen tijdens de jaren dertig, Vantilt, Nijmegen 2009, p. 7–34 (14).

3 U.N., ‘Radio-kunst’, Het Vaderland, 28 mei 1927.

4 G.H. Pannekoek Jr., ‘Al pratende met… De redactie’, in: Den Gulden Winckel, vol. 26, nr. 1, 1927, p. 6–11.

5 Bijvoorbeeld door Carry van Bruggen op 6 oktober 1925 (HDO) en P.H. Ritter Jr. op 3 december 1925 (HDO).

6 Eind jaren twintig bleek uit een enquête dat Europese radiozenders in 1928 gemiddeld elf procent van hun zendtijd wijdden aan letterkunde. In Nederland bleef dit percentage steken op vijf procent. Vergelijk n.n., ‘Wat er in Europa uitgezonden wordt’, Nieuwe Rotterdamsche Courant, 26 maart 1929.

7 De informatie in deze tabel is gebaseerd op een inventarisatie van de onderwerpen van de literaire halfuurtjes in de onderzochte periode. De inventarisatie vond plaats met behulp van de radiogidsen van de bewuste omroepen: het Christelijk Tijdschrift voor Radio (1925–1929) en de Omroep-Gids (1929–1965, NCRV), de Katholieke radio-gids (1927–1956, KRO), Radio (1926–1930) en de Radiogids (1930–1957, VARA) en de Radiobode (1928–1958, AVRO).

8 De NCRV-lezing ‘Hebben wij een eigen christelijke literatuur?’ werd op 7 januari 1929 verzorgd door E.G. van Teylingen. De lezing ‘Over het boek en het internationaal karakter der katholieke letteren’ door Jos Vandervelden werd op 14 april 1929 uitgezonden door de KRO.

9 B. Hogenkamp, S. de Leeuw & H. Wijfjes (red.), Een eeuw van beeld en geluid. Cultuurgeschiedenis van radio en televisie in Nederland, Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, Hilversum 2012, p. 62.

10 Hogenkamp, De Leeuw & Wijfjes, Een eeuw van beeld en geluid, p. 51.

11 In de VARA-biografie van Huub Wijfjes (VARA. Biografie van een omroep, Boom, Amsterdam 2009) wordt alleen vermeld dat A.M. de Jong medio 1930 tot leider van de literaire rubriek werd benoemd (p. 70). De gedenkboeken over de AVRO geven geen achtergrondinformatie over de boekenrubriek in het Interbellum, afgezien van enkele opmerkingen van Gabriël Smit over P.H. Ritter Jr., die volgens Smit ‘bijna nooit echt een boek làs’. Zie W. Huygen, AVRO 50: Historie en perspektieven, AVRO, Hilversum 1973, p. 76.

12 A.F. Manning, Zestig jaar KRO: uit de geschiedenis van een omroep, Ambo, Baarn 1985, p. 85–86.

13 Rijnsdorp in H. Algra, C. Rijnsdorp & B. van Kaam, Vrij en gebonden: 50 jaar NCRV, Bosch & Keuning, Baarn 1974, p. 71.

14 J.J. van Herpen (samenstelling), Al wat in boeken steekt: Dertig jaar radiowerk van dr. P.H. Ritter jr. bij de AVRO, Terra, Zutphen 1982.

15 M.J.G. de Jong, Over kritiek en critici. Facetten van de Nederlandstalige literatuurbeschouwing in de twintigste eeuw, Lannoo, Amsterdam/Tielt 1977, p. 14.

16 N. Maas, ‘De criticus spreekt’, in: E. Sanders & N. Maas (red.), Goed gelezen. 10 jaar de Nationale Voorleesdag, Stichting Lezen, Amsterdam 2003, p. 59–61.

17 K. Rymenants & P. Verstraeten, ‘Europese literatuur voor luisteraars verklaard: De radiolezing als vorm van middlebrow-literatuurbeschouwing tijdens het interbellum’, in:TNTL, vol. 125, nr. 1, 2009, p. 55–80 (64).

18 Maas, ‘De criticus spreekt’, p. 59; Rymenants & Verstraeten, ‘Europese literatuur voor luisteraars verklaard’, p.55; p.71.

19 T. Avery, Radio Modernism: Literature, Ethics, and the BBC, 19221938, Ashgate, Aldershot 2006, p. 7; T. Jahnke & O. Davin, ‘Literaturkritik im Rundfunk der Weimarer Republik’, in: H. Boehncke & M. Crone, Radio Radio: Studien zum Verhältnis von Literatur und Rundfunk, Peter Lang, Frankfurt 2005, p. 85–112 (94).

20 L. Gitelman, Always already new. Media, History, and the Data of Culture, The MIT Press, Cambrigde 2006, p. 7.

21 Gitelman, Always already new, p. 7.

22 K. Bijsterveld, Mechanical Sound: Technology, Culture, and Public Problems of Noise in the Twentieth Century, The MIT Press, Cambridge/London 2008, p. 167–171.

23 D. Goodman, ‘Distracted Listening: On Not Making Sound Choices in the 1930s’, in: D. Suisman & S. Strasser (red.), Sound in the Age of Mechanical Reproduction, University of Pennsylvania Press, Philadelphia 2010, p. 15–46; p. 245–252.

24 De VARA-sprekers uit de eerste helft van 1931 zijn op basis van radiogidsen helaas niet te achterhalen. Het is echter meer dan plausibel dat de meerderheid van de lezingen in die periode door De Jong is verzorgd.

25 Het begrip ‘metakritische uitspraken’ behoort tot het basisinstrumentarium van het onderzoek naar literaire kritiek. Het werd in de Nederlandse literatuurstudie geïntroduceerd in O. Praamstra, ‘De analyse van kritieken’, in: Voortgang: Jaarboek voor de Neerlandistiek, vol. 5, 1984, p. 241–260 (245).

26 De signatuur van de radiolezingen van Ritter is R 533 H1. De signatuur van het ROCC-archief waarin de lezingen van De Jong worden bewaard, is 2.27.05.

27 Voor meer biografische informatie over Ritter, zie W. Berkelaar, ‘Pierre Henri Ritter jr. (1882–1962): journalist en radiopresentator’, in: Utrechtse biografieën, SPOU, Utrecht, 1998, p. 150–155.

28 J.J. van Herpen, ‘Het ontslag van dr. P.H. Ritter jr. bij het Utrechts Dagblad in 1934’, in: Maandblad Oud-Utrecht, vol. 63, nr. 6, 1990, p. 57–64 (64).

29 Ritter in Van Herpen, Al wat in boeken steekt, p. 14.

30 Idem.

31 P.H. Ritter jr., De sociale beteekenis van de amusements-literatuur, G.J.A. Ruys U.M., Zeist, 1926, p. 69.

32 Ritter in Van Herpen, Al wat in boeken steekt, p. 16.

33 Idem.

34 Ritter in Van Herpen, Al wat in boeken steekt, p. 23.

35 Idem.

36 Idem.

37 In dat opzicht getuigt de radiokritiek van Ritter van een ‘double implied listener’, zoals die ook bij de literaire rubriek van de NCRV verondersteld moet worden. Vergelijk J. Dera, ‘Stichtelijke steekspelen. Literaire programma’s op de vooroorlogse NCRV-radio (1925–1940)’, in: Nederlandse letterkunde, vol. 18, nr. 2, 2013, p. 101–121 (111).

38 Vgl. F. de Glas, Nieuwe lezers voor het goede boek: De Wereldbibliotheek en Ontwikkeling/De Arbeiderspers voor 1940, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1989, p. 242.

39 Wijfjes, VARA: biografie van een omroep, p. 70.

40 A. Vader, ‘De geschiedenis van het literaire programma van de VARA en de KRO, 1925–1946. Een inventariserend onderzoek’, Doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam, 1987, p. 14.

41 Zie bijvoorbeeld R. Kuyper, ‘Radio en arbeidersbeweging’, in: De Notenkraker, vol. 24, nr. 44, 1930, p. 691.

42 A.M. de Jong in M. de Jong, A.M. de Jong: schrijver, Querido, Amsterdam 2001, p. 416–418.

43 G.H. ’s-Gravesande, ‘A.M. de Jong’, in: idem, Al pratende met, BZZTôH, ’s-Gravenhage, 1980, p. 104–117 (112).

44 Zie ook J. Dera, ‘‘k Heb nog lang geen vijanden genoeg! A.M. de Jong als radiocriticus bij de VARA’, in: Zacht Lawijd, vol. 12, nr. 2, 2013, p. 26–49 (34).

45 A.M. de Jong, De arbeider en het boek, N.V. de Ontwikkeling, Amsterdam 1927, p. 7.

46 De Jong, De arbeider en het boek, p. 8.

47 Zie bijvoorbeeld: J. Leenders, ‘Een links-liberale vorm van volksontwikkeling: verenigingen voor volksvoordrachten’, in: De negentiende eeuw, vol. 20, nr. 3, 1996, p. 163–183; P. Helsloot, Het NUT in Haarlem: twee eeuwen volksontwikkeling 17891989, De Vrieseborch, Haarlem 1989; B. Dongelmans, ‘‘Catalogus à 10 cents verkrijgbaar’: Nuts- en volksbibliotheken in de negentiende eeuw’, in: De negentiende eeuw, vol. 24, nr. 3–4, 2000, p. 179–198.

48 Bijvoorbeeld door de protestants-christelijke essayist en radiospreker Cornelis Rijnsdorp, die daarvoor eveneens de verklaring zocht in het negentiende-eeuwse estheticisme van de Beweging van Tachtig. Vgl. C. Rijnsdorp, Ter zijde. Beschouwingen over literatuur en muziek. Holland, Amsterdam, 1935, p. 93.

49 De Jong, De arbeider en het boek, p. 24.

50 Deze brief wordt bewaard in het Letterkundig Museum te Den Haag, archief A.M. de Jong, J 4201 B1.

51 H. Wijfjes, Radio onder restrictie. Overheidsbemoeiing met radioprogramma’s 19191941, Stichting beheer IISG, Amsterdam 1988, p. 43.

52 Deze visie op het nieuwe medium is typerend voor de jaren dertig, toen in de westerse wereld over massatechnologie werd gedacht in termen van een ‘audience-as-outcome model’: radioluisteraars zouden zozeer door het medium beïnvloed worden, dat op individueel niveau (en bij implicatie op dat van de samenleving) schadelijke gevolgen konden optreden. Vgl. J. Webster, ‘The audience’, in: Journal of Broadcasting & Electronic Media, vol. 42, nr. 2, 1998, p. 190–207 (193).

53 Wijfjes, Radio onder restrictie, p. 59.

54 Vgl. P.H. Ritter Jr. aan W. Vogt, 6-7-1930, in Ritter-archief Universiteitsbibliotheek Utrecht, map AVRO, ii.

55 Vgl. J.J. van Herpen, Met bestendig jeukende pen: documentair klein Memoriaal over leven en werk van dr. P.H. Ritter Jr. (18821962), Flanor, Nijmegen 2009, p. 196–197.

56 P.H. Ritter Jr. aan H. Robbers in Van Herpen, Met bestendig jeukende pen, p. 199.

57 Wijfjes, Radio onder restrictie, p. 147.

58 Archief ROCC, bestanddeel 274.

59 Archief ROCC, bestanddeel 283.

60 Archief ROCC, bestanddeel 283.

61 Het ging om lezingen over De kellnerin Molly van H.O. Henel (1933); ‘Boule de Suif’ van G. de Maupassant (1934) en Terug naar het eiland van J. Reuling (1937).

62 P.H. Ritter Jr., ‘Letterkundige kroniek’, Utrechtsch Dagblad, 25 mei 1935.

63 Zie over deze literair-historische context de volgende klassieke studie uit de neerlandistiek: H. Anten, Van realisme naar zakelijkheid: proza-opvattingen tussen 1916 en 1932, Reflex, Utrecht 1982.

64 Ritter, ‘Letterkundige kroniek’.

65 S. Vestdijk, Gestalten tegenover mij: persoonlijke herinneringen, tweede, uitgebreide druk, Bakker/Daamen, Den Haag 1962, p. 70.

66 Archief Ritter Letterkundig Museum.

67 P.H. Ritter Jr., ‘Letterkundige kroniek: Bibelebonsche boeken’, Utrechtsch Dagblad, 27 januari 1934.

68 Ritter, ‘Letterkundige kroniek: Bibelebonsche boeken’.

69 De benaming ‘kolos’ komt uit Ritter, ‘Letterkundige kroniek: Bibelebonsche boeken’.

70 Archief Ritter Letterkundig Museum.

71 T. Naeff, ‘Letterkunde en Radio’, in: E.P. Weber (red.), Radio-Jaarboek 1932, A.J.G. Strengholt, Amsterdam 1932, p. 257–258.

72 A.M. de Jong, ‘Romancier met de baard in de keel’, Het Volk, 21 november 1933.

73 Archief ROCC, bestanddeel 264.