figure1

Joan B. Vert

Nadenken over het beeld. De kunst van het afbeelden. Een overzicht van de visuele taal

(2014, Eburon, 430 pagina’s, geïllustreerd, € 54,95)

Nadenken over beelden is moeilijk. Joan B. Vert, jarenlang werkzaam geweest als docent tekenen, zag de afgelopen decennia zijn vak met bijbehorende beeldkennis in het Nederlandse basis- en middelbaaronderwijs door ideeën over vrije expressie en invoering van CKV teloorgaan. Er is veel geschreven over beelden, maar een samenhangende theorie, een ‘wetenschap van beelden’ bestaat niet, aldus Vert. Zo bestudeert de kunstgeschiedenis alleen beelden die als ‘kunst’ zijn opgevat. Dat had twee consequenties: ten eerste is het ‘bijna onmogelijk om over beelden te denken en te spreken zonder dat concepten, waarden en ervaringen uit de wereld van de kunst er een rol bij spelen’. Ten tweede zijn daardoor veel beeldsoorten uitgesloten van wetenschappelijke bestudering. Het kunstbegrip waarop dit kunsthistorisch vakgebied berust noemt Vert ‘modern, romantisch’. Hoewel het woord ‘kunst’ opgevat als ambachtelijke handvaardigheid stamt uit de Griekse Oudheid, dateert het huidige kunstconcept uit de achttiende eeuw en is het verbonden geraakt met ‘concepten uit de moderne esthetiek, zoals smaak en esthetisch gevoel, genie, originaliteit en creatieve fantasie’. Omdat volgens die moderne opvatting kunst maken geen kennis veronderstelt die geleerd en geoefend kan worden, is het systematisch overdragen van beeldkennis en het oefenen irrelevant geworden. Door de eenzijdige nadruk op de (literaire, iconologische, semiotische, kritische) betekenistoekenning – Vert spreekt van ‘linguïstisch imperialisme’ – is dit volgens hem bestendigd.

De al eeuwenlang bestaande beeldkennis moet zijns inziens op een andere manier worden geordend, bewaard en doorgegeven aan de volgende generaties. In een tijd waarin we omringd zijn door reclame, strip, film en game, is het maatschappelijk belang van beeldkennis groot. Vert presenteert zijn boek als ‘een eerste poging om de kennis over afbeeldingen te verzamelen en te ordenen tot een samenhangend geheel’. Hij waarschuwt dat hij een grote ‘diversiteit aan opvattingen, perspectieven en benaderingswijzen op het gebied van beelden’ bespreekt, die bestaande denkbeelden ondergraven. Tegenover ‘inconsistentie en vaagheid in het taalgebruik als het gaat over beelden, met al de verborgen theorieën waar woorden naar verwijzen’ wil hij een helder begrippenapparaat stellen.

Zijn levenswerk, begonnen in 1969, is een kloek, zwaar werk, boordevol informatie, gewijd aan ‘het zien, interpreteren en maken van beelden, over hun vorm en inhoud, over wat men de beeldtaal is gaan noemen’. Het boek bestaat uit zes delen; elk deel is onderverdeeld in 24 hoofdstukken. Sommige auteurs en begrippen waren volkomen nieuw voor me (Jacques Bertin, Sémiologie Graphique, Groupe µ), maar Vert gebruikt een ingeburgerde kunsthistorische periodisering. Hij wisselt technische beschrijvingen van psychologische experimenten af met anekdotes ontleend aan literatuur of aan persoonlijke observaties. Het wetenschappelijk jargon ontleent hij uiteraard aan kunstgeschiedenis, maar ook aan fenomenologie, cognitieve psychologie, kunstfilosofie, psychoanalyse, iconologie, pedagogische didactiek, semiotiek, kunstsociologie en breinwetenschap. Dat verklaart waarschijnlijk ook waarom bepaalde thema’s op verschillende plaatsen terugkomen. Het hoofdstuk over ontwikkelingspsychologie, kindertekening en tekenvaardigheid valt in dit geheel wat uit de toon. Hier heeft de taal het gewonnen van de stilzwijgende kennis – het voordoen en het nadoen – die zo cruciaal is in het leren tekenen en ontwerpen.

Al met al presenteert Vert een onconventioneel, maar ook een onoverzichtelijk geheel. Het lijvige werk volgt te veel het persoonlijke traject dat de auteur voor ogen stond. De boosheid over de arrogante houding van kunstdocenten, kunstcritici, museumdirecteuren die tussen de regels door klinkt, is daar mogelijk debet aan. Geïnstitutionaliseerde onwetendheid is het tekenvak fataal geworden. Hoewel ik sommige observaties deel, is nadenken over het beeld geen sinecure; dat moet goed gebeuren, wil het overtuigen. Wat vooral ontbreekt, is een historisch-systematisch kader. Hiërarchie aanbrengen, hoofd- en bijzaken onderscheiden en een goede argumentatie, zijn kenmerken van een wetenschappelijk betoog. In deze studie is uit diverse wetenschappelijke disciplines alle informatie en kennis over beelden verzameld. Elke discipline bestudeert een deelaspect, hanteert een eigen, toegespitste vraagstelling en genereert op grond daarvan specifieke kennis. Al die soorten kennis achter elkaar behandelen, zonder een strenge, doordachte interdisciplinaire vraagstelling, levert geen accumulatie van wetenschappelijke kennis op.

Hoe veel sympathie ik ook heb voor het project en hoe zeer ik ook instem met enkele kritiekpunten die Vert noemt waar het gaat om het redden en doorgeven van bestaande beeldkennis, zijn boek bevestigt vooral dat zo'n avontuur voor één persoon vrijwel onbegonnen werk is. Zijn boek onderstreept dat het beeldveld hopeloos ongeorganiseerd en ongeordend is en dát illustreert dit boek treffend. De auteur heeft bijna alles wat te vinden is bijeengebracht, al ontbreken minder bekende, maar cruciale academische studies. Anders dan de loftuitingen vanuit de ontwikkelingspsychologie, de cultuurparticipatie en cultuureducatie op de achterflap suggereren, is het echter geen handzaam en overzichtelijk geordend en leerbaar handboek beeldwetenschap.

Uitgever Eburon had moeten beseffen dat een eindredacteur hier nog een cruciale rol had moeten spelen om afleidende uitweidingen te stroomlijnen, verdubbelingen te schrappen, typefouten te verwijderen en meer consistentie aan te brengen. Al met al vormt het boek een massieve, hermetische neerslag van een leven gewijd aan het nadenken over beelden. Als we toegang willen krijgen tot dit complexe, cultuurhistorisch gelaagde domein, dan zullen we ook moeite moeten doen de gigantische erfenis daadwerkelijk wetenschappelijk te ontsluiten. Kortom: recht doen aan de nalatenschap van Joan B. Vert vergt een nieuw initiatief, zodat huidige en toekomstige beeldonderzoekers profijt kunnen hebben van alle kennis die is bijeengebracht in dit boek. Het door Vert verzamelde materiaal levert voldoende arbeid op waar een onderzoeksinstituut jaren mee voort kan!

Heidi de Mare