figure1

Geert Onno Prins, Inge Tromp & Peter van Zonneveld (red.)

Van felle kritiek tot feuilleton. De Indische pers en de literatuur

Hilversum (Verloren) 2013, 166 p., ill., € 15,-, ISBN 978 90 870 43810

Indische toestanden leren kennen en herkennen

‘Tussen de Indische pers en de literatuur bestaan nauwe banden, die zich op allerlei manieren manifesteren, zowel wat het nieuws als het amusement betreft’ stelt Peter van Zonneveld in Van felle kritiek tot feuilleton, een onlangs verschenen bundel die de veelzijdige relaties tussen de Indisch-Nederlandse pers en (post)koloniale literatuur in beeld wil brengen. (p. 8) De afzonderlijke bijdragen, negen artikelen van auteurs die verbonden zijn aan de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde, laten zien hoe dergelijk onderzoek eruit kan zien en hoe vruchtbaar dit grotendeels onontgonnen onderzoeksterrein is. Van Zonneveld onderzoekt in zijn bijdrage bijvoorbeeld de relatie tussen de representatie van Tjoet Nja Din, de adellijke echtgenote van de vermaarde Atjeh-strijder Teukoe Oemar, in de Indische pers en de historische roman over deze eigenzinnige, strijdbare vorstin van Madelon Székely-Lulofs uit 1948. Van felle kritiek tot feuilleton is verschenen als een hommage aan historicus en neerlandicus Gerard Termorshuizen in wiens werk de nauwe banden tussen de koloniale pers en literatuur eveneens zichtbaar zijn: Termorshuizen promoveerde bijvoorbeeld op een biografie van journalist en feuilletonist P.A. Daum. De hier besproken bundel is gepubliceerd ter gelegenheid van de verschijning van het jongste boek van Termorshuizen, Realisten en reactionairen (2011) dat tezamen met het tien jaar eerder verschenen Journalisten en heethoofden (2001) een tweedelig overzichtswerk van de geschiedenis van de Indische pers van de VOC-tijd tot aan de Japanse bezetting vormt.

De Indische pers had een dubbele roeping: enerzijds moest zij nieuws en een geëngageerde opinie geven, anderzijds moest zij de lezer amuseren. Of zoals het Bataviaasch Nieuwsblad het in 1909 verwoordde: ‘Een hollandsch blad is droog en zakelijk, waarin het nieuws is geworpen als aardappelen in een bak, een indische courant is een tot smakelijke hutspot verwerkte schotel, waarbij een elk met graagte aanzit’. (G. Termorshuizen, Realisten en reactionairen. Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse pers, 1905–1942, Amsterdam/Leiden 2011, p. 76). De Indische pers werd gekenmerkt door haar geëngageerde en strijdbare toon. Zij schroomde niet om in haar verslaglegging een standpunt in te nemen. Deze polemische manier van verslaan werd ook wel de ‘tropenstijl’ genoemd en kon menig journalist of redacteur op opsluiting in de gevangenis komen te staan, zoals Daum en Willem Walraven overkwam over wie Olf Praamstra in zijn bijdrage onder meer schrijft. Die tropenstijl werd in postkoloniaal Nederland voortgezet in bijvoorbeeld de pennenvruchten van Tjalie Robinson (pseudoniem van Jan Boon) waarover wij lezen in een artikel van Bert Paasman. Robinson staat eveneens centraal in de bijdrage van Pamela Pattynama waarin zij betoogt dat zijn werk als journalist en fotoarchivaris van Indisch Nederland een belangrijke rol speelde in het ontstaan van een herinneringscultuur rond Indië en de emancipatie van Indo-Europeanen in een postkoloniaal tijdsgewricht.

Literatuur, in de vorm van feuilletons, was een vanzelfsprekend onderdeel van de Indische pers en vormde een geijkt middel om lezers aan een krant te binden. Daum begon bijvoorbeeld zijn carrière als feuilletonist (onder het pseudoniem Maurits) in Het Indisch Vaderland om zo nieuwe abonnees te trekken. Ook andere romanciers, zoals Melati van Java (pseudoniem van Marie Sloot), een destijds veelgelezen maar inmiddels vergeten auteur over wie Vilan van de Loo in haar bijdrage schrijft, debuteerden met een feuilleton in een koloniale krant. De Indische literatuur stond eveneens dicht bij de actualiteit: vaak werden actuele maatschappelijke onderwerpen aangesneden, waren verhalen in hoge mate (auto)biografisch van aard of gebaseerd op waargebeurde perkara’s. De Indische literatuur bracht de beroemde schrijver en publicist Eddy du Perron tot de uitspraak: ‘De typies-Indiese lezer […] wenst in een koloniale roman bovenal toestanden te leren kennen; nòg liever, toestanden te herkennen’. (In Indies memorandum, bez. door E. Batten, Amsterdam 1946, p. 234). De tropenstijl bleef dus niet beperkt tot de journalistiek, maar was in allerhande brieven, reisverslagen, verzen, essays en verhalen aanwezig, waarvan Geert Onno Prins er in zijn artikel een groot aantal uit zowel de koloniale tijd als het recente verleden behandelt. Ook vandaag de dag inspireert de Indische pers nog de literatuur. In de slotbijdrage vertelt Reggie Baay hoe hij via een koloniale krant een doofpotaffaire uit tempo doeloe inzake de moord op een westers geschoolde Balinese edelman op het spoor kwam die de plot vormt voor zijn onlangs verschenen roman Gebleekte ziel (2012).

Van felle kritiek tot feuilleton is niet alleen een eerbetoon aan Termorshuizen, maar tevens een neerslag van een symposium over de Indische pers en literatuur in november 2011 dat gehouden werd door de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde te Bronbeek. De zeven bijdragen die hier reeds ter sprake gekomen zijn, verschenen eerder in een themanummer van het tijdschrift Indische Letteren (maart 2013). De bundel is aangevuld met twee nieuwe artikelen: Adrienne Zuiderweg bestudeert in een daarvan het schrijversechtpaar Sam Kalff en Thérèse Hoven, wier echtscheiding publiekelijk uitgevochten werd in de roman Vrouwen lief en leed onder de tropen (1892) van Hoven (onder het pseudoniem Adinda) en een reeks felle, vernietigende reacties hierop van haar recenserende ex-echtgenoot in de Java Bode; Frank Okker behandelt in zijn stuk het leven en werk van factchecker avant la lettre Gerret Rouffaer die uitspraken van de Indische pers onder de loep nam en op waarheidsgehalte beoordeelde. Het boek wordt afgesloten met een volledig en indrukwekkend bibliografisch overzicht van het werk van Termorshuizen dat samengesteld is door Inge Tromp. De vlot geschreven bijdragen geven tezamen een caleidoscopische indruk van de talrijke raakvlakken en onderzoeksmogelijkheden die de Indische pers en literatuur (te bieden) hebben. Het pionierswerk van Termorshuizen dat vorm gekregen heeft in de eerdergenoemde tweedelige Indische persgeschiedenis vormt daarbij een uitstekende bron van inspiratie. Van felle kritiek tot feuilleton is een mooie hommage aan deze pionier van de geschiedenis van de Indische pers waaraan ook anderen met een interesse in mediageschiedenis veel leesplezier zullen beleven.

Petra Boudewijn