Gezien, gehoord, gelezen
When Hollywoord was Right
Donald T. Critchlow

When Hollywood Was Right. How Movie Stars, Studio Moguls, and Big Business remade American Politics

Cambridge (Cambridge University Press) 2013, 224 pp., ïll., ca. € 23,-, isbn 978 0 521 19918 6

Dit boek plaatst zich in een rijke traditie van literatuur en onderzoek naar de politiek-institutionele geschiedenis van Hollywood, meer in het bijzonder de relatie tussen de Amerikaanse filmindustrie en de Republikeinse Partij. In When Hollywood Was Right vertelt Donald T. Critchlow het verhaal van de wederopstanding van de Grand Old Party (gop) vanaf de jaren 1930 tot en met het presidentschap van Ronald Reagan (1981–1989). Als historicus met als specialisme de twintigste-eeuwse Amerikaanse politiek, concentreert Critchlow zich niet zozeer op de bekende politieke overlegstructuren, maar wel op de praktische uitbouw van informele netwerken en allianties tussen Republikeinse politici en conservatieve zakenlui, studiobonzen, regisseurs, filmsterren en andere celebrities in en rond Hollywood. Centraal in Critchlows verhaal staat de idee dat studio moguls, filmproducenten, -regisseurs en -acteurs zoals John Wayne, Gary Cooper, Bob Hope, Charlton Heston of Robert Taylor niet alleen zorgden voor glamour en glitter tijdens verkiezingscampagnes, maar dat ze een veel actievere rol speelden in de reorganisatie van de gop. Sommigen engageerden zich openlijk met de partij (mgm-baas Louis B. Mayer was vice-chairman en vervolgens chairman van de California Republican Party in de periode van 1931 tot 1933) of stelden zich kandidaat voor politieke functies, zelfs op het hoogste federale niveau met senator en later president Reagan als ultiem voorbeeld. Andere acteurs steunden lokale initiatieven van de partij in Californië of financierden op een meer substantiële wijze de structurele uitbouw van de gop. Cruciaal was de rol van bekende producenten, regisseurs en acteurs zoals Cecil B. DeMille en George Murphy, die zich ontpopten tot invloedrijke fundraising liaisons tussen Hollywood, de politiek en de zakenwereld.

When Hollywood Was Right houdt zich ver van theoretische bespiegelingen over de relatie tussen politiek en media, en trekt resoluut de kaart van feitelijke, op heel wat archiefonderzoek gebaseerde analyses. Ook laat Critchlow na om het veld waarin zijn boek zich begeeft te beschrijven, of om in dialoog te treden met ander werk dat de afgelopen jaren op dit terrein is verschenen. Toch is When Hollywood Was Right een interessante bijdrage, niet in het minst omdat het boek de populaire mythe doorprikt van Hollywood als een broedplaats van progressieve politieke krachten, een mythe die vooral gevoed werd door acteurs en andere Hollywood celebs die hun voorkeur voor Democratische politici publiekelijk uitspraken.

Een onderliggende stelling van het boek is dat de alliantie tussen de gop en conservatieve krachten binnen de filmindustrie een katalyserende rol heeft gespeeld in de ‘mediatisering’ van het politieke bedrijf, of dat ‘California's media-driven politics would eventually become a national model’ (p. 3). De alliantie zorgde ervoor dat de politieke arena marketingprincipes uit Hollywood en zijn star system overnam - niet in het minst de promotie van politieke sterren, media-advies en intensieve mediatraining. Op een ruimer niveau zorgde de alliantie voor een sterke verwevenheid tussen politiek en celebrity culture. Interessant in dit opzicht is het vierde hoofdstuk, dat handelt over de opmars van de jonge Richard Nixon, die later senator (voor de staat California, 1950–1953), vice-president (1953–1961) en president (1969–1974) van de Verenigde Staten werd. In zijn boek beschrijft Critchlow hoe ‘media-savvy’ en hoe begeesterd Nixon wel was door Hollywood. Nixon, zo geeft Critchlow aan, mag nu dan al geboekstaafd staan als de presidentskandidaat die in 1960 de verkiezingen verloor in een voor hem nefast televisiedebat met John F. Kennedy, maar in werkelijkheid was hij zijn tijd ver vooruit in de manier waarop hij met moderne massamedia omsprong.

Zeer lezenswaardig zijn ook de eerste twee hoofdstukken waar Critchlow vertelt hoe de plaatselijke Republikeinse Partij het debâcle van de jaren 1930 trachtte te verwerken, meer bepaald na de verpletterende verkiezingsoverwinning van Franklin D. Roosevelt in 1936 toen de gop geheel ontredderd en bijna gedecimeerd werd. Met veel oog voor detail en anekdotiek beschrijft Critchlow hoe conservatieve krachten binnen de filmindustrie, de zakenwereld en de politiek elkaar vonden in hun afkeer van progressieve organisaties zoals linkse vakbonden. Het bindmiddel was een amalgaam van conservatieve waarden rond patriottisme, individualisme, ‘free enterprise’ en anticommunisme.

Het belangrijkste hoofdstuk in het boek behandelt de periode van de blacklist en de heksenjacht, grofweg vanaf 1947 tot het einde van de jaren 1950 (Hoofdstuk 3). De literatuur over deze duistere periode in de Amerikaanse politieke en mediageschiedenis is bijzonder omvangrijk, maar toch slaagt Critchlow erin enkele nieuwe inzichten te verschaffen, niet in het minst over de rol van de communistische partij en de invloed van linkse vakbonden en andere organisaties in Hollywood.

De laatste twee hoofdstukken behandelen de periode vanaf de jaren 1960 (Hoofdstuk 5) met daarin een glansrol voor de ‘grote communicator’ Ronald Reagan (Hoofdstuk 6). In dit deel doorprikt Critchlow de mythe dat Reagan een politieke handpop was en dat zijn politieke aspiraties pas groeiden toen zijn carrière als acteur taande. Critchlow beschrijft Reagan als een politiek dier, die eerst Democratische sympathiën had, maar na zijn huwelijk met Nancy Davis gaandeweg onder invloed kwam van de gop. Met Reagan, die een uitermate charismatische spreker was, nam de politiek-ideologische visie van de Hollywood Right het roer van het land over. Reagan stond immers symbool voor een ‘anticommunist, patriotic, small-government vision [that] became the prevailing philosophy of the national Republican Party’ (p. 213).

When Hollywood Was Right is een vernieuwende bijdrage tot de politieke geschiedenis van Hollywood, vooral omdat het een gedetailleerde en genuanceerde visie biedt op de informele netwerken achter de relatie tussen de Republikeinse Partij en de Amerikaanse filmindustrie. Een kritische kanttekening is dat het boek hier en daar wat slordigheden bevat. Zo schrijft Critchlow bij voorbeeld dat Fritz Lang een ‘German refugee’ was (p. 31; Lang was Oostenrijkse regisseur) en spelt hij de naam van regisseur George Stevens verkeerd (‘Stephens’, p. 103). Ook bezondigt de auteur zich soms aan overdrijvingen zoals de uitspraak dat Gary Cooper ‘Hollywood's most popular and highly paid actor’ was (p. 36), alsof Clark Gable en andere succesvolle acteurs niet bestonden. Deze opmerkingen staan echter niet in de weg dat When Hollywood Was Right op een boeiende wijze onderstreept hoezeer Hollywood (en bij uitbreiding mediacultuur) een politieke strijdplaats was (en vermoedelijk vandaag nog steeds is).

Daniel Biltereyst