figure1

Bert Hogenkamp, Sonja de Leeuw & Huub Wijfjes (red.)

Een eeuw van beeld en geluid. Geschiedenis van radio en televisie in Nederland

Hilversum (Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid) 2012, 352 pag’s, ills., € 39,95, ISBN 978 90 778 06135

Het zal niet vaak voorkomen, dat een handboek de basiskennis van het wetenschapsgebied combineert met een aantrekkelijke en beeldende vormgeving. Een eeuw van beeld en geluid is zo’n boek. Het biedt allereerst een overzicht van de mediageschiedenis van Nederland in de 20e eeuw en kan daarom dienen als studieboek voor een nog steeds groeiend aantal studenten in de mediastudies. Het is evenwel te handzaam ingebonden, te veelzijdig geïllustreerd en te zeer voorzien van een aantrekkelijke mix van brede historische beschouwingen en spectaculaire momenten om het daarbij te laten. Het is dus ook bruikbaar als een publicatie voor bijvoorbeeld geïnteresseerde bezoekers van het Hilversumse omroepmuseum.

Een eeuw van beeld en geluid is een historische publicatie, die als introductie op de mediageschiedenis in de plaats kan komen van Omroep in Nederland. Dat was een eerste poging tot een samenvattende geschiedenis en verscheen in 1994 naar aanleiding van de 75e verjaardag van de omroep. Huub Wijfjes voerde toen de redactie. In het nieuwe boek is hij ook prominent aanwezig; bijna de helft van de historische verhandelingen is van zijn hand. Opnieuw is de aandacht gericht op wat genoemd wordt de omroepcultuur en niet op de omroepen; een geschiedenis, niet van de instituties maar van de programma’s en dan wel van hun inbedding in een maatschappelijke en culturele context. Het brede overzicht wordt zo nu en dan onderbroken door een of twee pagina’s, getiteld ‘In Focus’ of ‘Insert’, over een opvallende gebeurtenis of een kleurrijke anekdote.

Soms zijn zulke opmerkelijke feiten overigens een onderdeel in de hoofdtekst. Een eeuw geleden was het beluisteren van de ‘draadloze’ uitzendingen van radioamateurs nog aan staatscontrole onderworpen. Begin 1914 gaf de toenmalige minister van Waterstaat, ir. C. Lely, dat zoeken en luisteren vrij, maar de potentiële ontvangers moesten daarvoor wel een (gratis) vergunning aanvragen. Toen de bureaucratie het groeiend aantal niet meer kon verwerken, besloot de minister het luisteren naar radiostations vrij te geven. Op 11 juli 1914 werd het mogelijk zonder tussenkomst van de staat op de radiostations van amateurs af te stemmen. Zo begon in Nederland dus de eeuw van het vrije woord in de ether, in vrijheid beluisterd.

Het is in alle opzichten een handboek geworden. Het bereik is de bijna honderd jaar tussen 1913 en 2010. De radio wordt in zijn geschiedenis alle recht gedaan naast de televisie. De gekozen vorm is de kroniek, maar dan een met een analytische ondertoon. Huub Wijfjes heeft, deels samen met Bert Hogenkamp, de gedeelten over de radio voor zijn rekening genomen, Sonja de Leeuw is verantwoordelijk voor twee van de vier hoofdstukken over televisie. Dat betekent, dat ook het televisiedrama adequaat wordt geanalyseerd. Andreas Fickers laat de televisie in zijn paragraaf opkomen, Eggo Müller beschrijft dit medium in de eindfase van het boek; de opkomst van een participatie-televisie waarin het publiek op diverse wijzen een actieve rol krijgt toebedeeld.

De geschiedschrijving in dit boek is uiteraard geconcentreerd op de omroep. Maar soms worden er onderzoeksresultaten zichtbaar gemaakt, die voor een ruimer begrip van de Nederlandse samenleving relevant zijn. De verzuilde omroepen kwamen voort uit wat in het boek genoemd wordt de ‘verkondigingswil’. Dit betekent in mediatermen, dat de stellige uiting voor een daarvoor ontvankelijk gehoor een nogal belangrijke plaats inneemt in het publieke betoog. Concreet valt dat af te leiden uit het gegeven, dat in het Nederlandse bestel rondom de jaren ’50 het aandeel van het gesproken woord in de zendtijd vergelijkenderwijs veel hoger was dan in de rest van Europa: 42 percent tegenover 24 percent in België en 17 percent in Engeland.

In het boek worden hier en daar thema’s slechts aangestipt en niet uitgewerkt. Dat is te verdedigen in een overzichtswerk, dat bovendien handzaam moet blijven. Zulke overzichtswerken hebben bovendien een zekere mate van voorspelbaarheid. Maar soms wil men meer weten; om één enkel voorbeeld te noemen, over program en uitwerking van de radio in de Tweede Wereldoorlog worden in het voorbijgaan interessante gegevens gemeld over bereik en reactie van luisteraars. Dat vraagt om meer inzicht. In de geschiedschrijving is er tot dusver meer aandacht geweest voor de inhoud van Radio Oranje in Londen dan voor die van de gelijkgeschakelde omroep, die in het boek de Rijksradio wordt genoemd. In een lopende discussie over wat gewone Nederlanders wisten van de oorlog en van de Jodenvervolging is het relevant om ook de reikwijdte en inhoud van een officieel medium als de nationaalsocialistische Rijksradio te verkennen. Maar nogmaals, in de setting van een handboek kan zo’n thema slechts worden aangestipt. Het is in elk geval zinnig dat de auteurs deze ‘buitengewone’ periode van de omroepgeschiedenis niet onbelicht hebben gelaten.

De naoorlogse decennia worden in het media-handboek gekend in termen van afzonderlijke hoogtepunten. Een ervan is de marathon-uitzending OPEN HET DORP in 1962, de liefdadigheidsactie die kijkers en luisteraars tot een denkbeeldige gemeenschap verenigde. Het kan worden beschouwd als het eerste ‘televisie-event’ in Nederland. Sonja de Leeuw, die het programma analyseert, noemt het de sociale integratie-functie van televisie, waarin live-gebeurtenissen worden overgedragen die het hart van de natie raken en die daarom een soort collectieve reflectie zijn van gemeenschappelijk beleefde waarden. Het is ook een voorbeeld van hoe de auteurs in dit handboek te werk zijn gegaan. De flow van mediale gebeurtenissen proberen zij in het gareel te krijgen van een bruikbare analyse.

Eggo Müller heeft zo’n beredeneerd hoogtepunt gevonden – zij het met relativering – in het meest recente decennium van de televisiegeschiedenis: de uitzending van BIG BROTHER op oudjaar 1999. Hij beschouwt het als het prototype van een nieuw mediaconcept, waarin de verdeling van rollen tussen makers en toeschouwers uitwisselbaar wordt en de grenzen tussen makers en kijkers vervagen. Zijn bijdrage, die hier uiteraard niet adequaat kan worden weergegeven, is een mooi voorbeeld van een analytische geschiedschrijving. Een eeuw van beeld en geluid is een handboek, maar het is geen kroniek. De auteurs hebben voortdurend gepoogd de talloze feiten van de omroep in een samenhang te plaatsen en begrijpelijk te maken. Dat mag hen als een verdienste worden aangerekend.

Jan Bank