figure1

Pieter Jan Verstraete

Raf Van Hulse: een Vlaamse Kriegsberichter aan het Oostfront

Kortrijk (Pieter Jan Verstraete) 2011, 203 p., € 23,-, ISBN 978 90 7949 703 4 (rechtstreeks te bestellen via http://users.skynet.be/pieterjanverstraete/)

Raf Van Hulse (1903-1977) groeide op in een flamingant gezin. Hij werd net als zijn vader onderwijzer en ontwikkelde in de jaren 1930, toen een groot deel van de Vlaamse beweging radicaliseerde, sterke belangstelling en sympathie voor het Duits nationaalsocialisme. Bij de Duitse inval van 1940 behoorde Van Hulse tot de groep Vlaams-nationalisten die zich niet bezet, maar vooral bevrijd voelde. Hij koos voluit voor de collaboratie, trad als een der eersten toe tot de Algemeene-SS-Vlaanderen en maakte een steile carrière binnen de organisatie, waar hij afdelingen reorganiseerde, scholing gaf en propagandalezingen verzorgde. Van Hulse was echter niet alleen een man van het woord, maar nam ook deel (of gaf leiding?) aan anti-joodse acties in Antwerpen.

In september 1942 trok Van Hulse als vrijwilliger naar het Oostfront, waar hij als Kriegsberichter of oorlogsverslaggever werd ingezet. Hij maakte kort verslagen voor de radio en schreef verder stukjes die naar de Vlaamse pers gestuurd werden. In april 1944 werd Van Hulse van het front teruggeroepen om in België mee te werken aan de uitbouw van de Hitlerjeugd Vlaanderen. Van Hulse moest tot zijn verbittering vaststellen dat de Duitsers die hem daarbij moesten helpen, minder enthousiast waren dan hijzelf. Enkele maanden later, toen zowat elke collaborateur met realiteitsbesef zijn enthousiasme eveneens had verloren, vluchtte Van Hulse naar Duitsland. Hij kreeg een functie in de ‘Vlaamse Landsleiding’ (een soort Vlaamse regering in ballingschap), dook na de Duitse capitulatie onder maar werd in de herfst van 1945 ontmaskerd en gearresteerd. Van Hulse werd in België ter dood veroordeeld, maar kreeg enkele jaren later gratie en kwam in 1951 weer vrij. Hij baatte nadien met zijn echtgenote een winkel uit en bleef actief in Vlaams-nationalistische kringen. Aangezien zijn veroordeling een publicatieverbod inhield, publiceerde hij onder het pseudoniem Domien Van Rietvelde verscheidene boeken, waaronder de autobiografische oostfrontroman Bloedgroep O (1960).

Het fraai geïllustreerde Raf Van Hulse: een Vlaamse Kriegsberichter aan het Oostfront werd samengesteld door Pieter Jan Verstraete, die in eigen beheer al tientallen boeken met betrekking tot het Vlaams-nationalisme publiceerde. Verstraete heeft zo niet alleen een indrukwekkende achtergrondkennis verworven, maar in de loop der jaren ook een groot netwerk aan contacten opgebouwd. Dit verschaft hem toegang tot privéarchieven en -memorabilia die essentieel zijn voor zijn onderzoek. Om die toegang niet te schaden, kiest Verstraete er doorgaans voor om de door hem gevonden of verzamelde informatie zeer ‘sec’ te presenteren. Verstraete zet dus doorgaans historische gegevens op een rij, maar hoedt er zich voor al te kritische vragen te stellen (zie ook de recensie van zijn biografie van karikaturist Armand Panis in TMG, 11, 2008, 1, pp. 144-145). Anderzijds moet duidelijk gesteld worden dat Verstraete zich niet leent tot het schrijven van hagiografieën of het maskeren van de geschiedenis. Zijn werk mist dus soms aan analytische scherpte, maar is zonder twijfel gebaseerd op solide bronnen onderzoek en onmiskenbaar verdienstelijk. Het voorliggende boek biedt bijvoorbeeld geen echte analyse van de Kriegsberichter activiteiten van Raf Van Hulse, maar biedt wel interessant materiaal voor personen die een dergelijk onderzoek later (in de geest van Gerard Groenevelds Kriegsberichter: Nederlandse SS-oorlogsverslaggevers 1941-1945, 2010) willen aanvatten.

Verstraete brengt na een biografisch overzicht, waarin vooral de periode 1940-1945 aan bod komt (pp. 11-63) en een korte verantwoording (pp. 65-72) een spaarzaam geannoteerde bloemlezing (pp. 72-193) uit de brieven die Van Hulse als soldaat aan zijn vrouw schreef. Verstraete wijst er op dat die brieven soms als blauwdruk dienden voor stukken die later in de pers verschenen (p. 69), maar maakt geen echte vergelijking of melding van eventuele verschillen tussen beide versies.

De brieven die Van Hulse schreef zijn op verscheidene niveaus interessant. Het is bijvoorbeeld confronterend hoe laconiek Van Hulse schreef over de vernietigingsoorlog die in Oost-Europa werd gevoerd en over de gevolgen die dit had voor de lokale bevolking. ‘Ik had gedacht hier weinig burgers te zullen treffen maar het loopt vol. Die kwamen telkens na die groote slagen onmiddellijk weer opduiken als ratten uit hun holen. Ik kan niet zeggen dat het type, indien ze nu eens netjes aangekleed waren, en zuiver verzorgd, er slecht uit ziet, niet Mongoolsch en naar onze begrippen tamelijk normaal van uitzicht, gestalte en houding, maar het is hier dan ook Oekraïne’ (p. 106). Van Hulse vond het ook evident dat zijn echtgenote en hijzelf, net als andere Vlamingen, op termijn in dit veroverde gebied boerderijen zouden gaan uitbaten. Verder berichtte hij in december 1943, vanuit Tsjechië, over een wandeling die hij en enkele kameraden hadden gemaakt langs ‘een soort dood dorp’. Het betrof Lidice, waarvan de bevolking anderhalf jaar voordien was uitgemoord uit wraak om de moordaanslag op Reinhard Heydrich. Van Hulse vermeldde kort dat het dorp ‘gedeeltelijk vernietigd, gestraft en ontruimd’ was (p. 168) maar had het verder in zijn brief vooral over het Duitse oude vrouwtje dat hen er had verwelkomd en op koeken onthaald.

Uit mediahistorisch oogpunt valt verder op dat hij zich regelmatig afvroeg in welke mate de door hem gemaakte teksten of geluidsopnamen ook effectief werden gepubliceerd of uitgezonden (vb. p. 157, 161, 186, 188) Niet zonder reden trouwens: bijdragen van Kriegsberichter behoorden, anders dan bijvoorbeeld het Wehrmachtbericht, niet tot de verplicht te publiceren teksten en verschenen dus doorgaans enkel in door collaboratiegezinde personen gelezen periodieken als Balming of De SS-Man. Eveneens opvallend is de manier waarop hij in de brieven vasthield aan de officiële propagandalijn, wat de lezer doet twijfelen: was de briefschrijver echt zo fanatiek en overtuigd, of liet hij liever niet het achterste van zijn tong zien? Men krijgt doorgaans de indruk dat hij echt overtuigd was, bijvoorbeeld toen hij in de herfst van 1943 schreef dat “we volgens het plan terugtrekken” (p. 147). Dit spoorde perfect met de officiële propagandalijn, waarbij de term “Frontverkürzung” als eufemisme voor “terugtrekking” werd gehanteerd. Van Hulse beschreef de logica achter de “zeer systematische terugtocht” (p. 150) uitvoerig en voegde er aan toe “Ik kan mij voorstellen dat men daar bij jullie in het heele geval een nederlaag ziet. Wij zien het hier anders […] Ik geloof zelfs dat wij er op dit oogenblik zo voorstaan dat we met aanvulling van frische krachten in de oude, gedunde gelederen juist nu doorstooten konden tot Moskou” (p. 152).

Roel Vande Winkel