figure1

Anthony Langley & Nicky Langley

De Grote Oorlog voor kleine kinderen

Leuven (Davidsfonds) 2012, 151 p., geïll., € 27,50, ISBN 978 90 582 687 23

Hoe dichter we bij de honderdjarige herdenking van de Grote Oorlog komen, hoe meer publicaties er over dat brutale scharnierpunt verschijnen. Het was tevens een periode waarin illustratoren in de pers nog konden rivaliseren met fotografen door pregnante scènes weer te geven of te verzinnen. De toenmalige media werden trouwens ingezet in een algemene morele mobilisatie van de bevolking waarbij ook kinderen expliciet betrokken werden. De rol van nationale propaganda voor kinderen krijgt daarbij stilaan ook meer aandacht in het onderzoek. Denk maar aan Stéphane Audoin-Rouzeau’s La Guerre des enfants 1914-1918, essai d’histoire culturele (Armand Collin, 1993). Recentelijk zijn daar nog tijdschriftpublicaties zoals Keith Crawford’s (2000) over de demonisering van de Duitser in de Engelse schoolboeken en boekpublicaties zoals Celia Malone Kingsbury’s For Home and Country: World War I Propaganda on the Home Front over de situatie in de USA (2010) bijgekomen. Nu is er in het Nederlands De grote oorlog voor kleine kinderen van Anthony en Nicky Langley verschenen. Anthony Langley is socioloog en een verzamelaar van foto’s, illustraties en artikelen uit de Eerste Wereldoorlog, die hij al meer dan een decennium op zijn site The Great War in a Different Light plaatst. Voor dit boek heeft hij samengewerkt met zijn dochter, Nicky Langley, die behalve auteur ook actrice op de Vlaamse televisie is.

De Grote Oorlog voor kleine kinderen heeft amper academische aspiraties (geen methodologiebeschrijving of gedegen bronnenverwijzingen), maar richt zich veeleer op een breed lezerspubliek door de tekst veeleer beperkt te houden en vooral ruimte te geven aan talrijke illustraties. Er is veel aandacht besteed aan een goede reproductie van die illustraties en ook lay-out is verzorgd en helder. Zoals VRT-journalist en oud-eindredacteur van de tv-reeks HISTORIES, Bert Govaerts in het voorwoord terecht opmerkt: “De selectie in dit boek is natuurlijk niet ‘wetenschappelijk’. Ze is het resultaat van jarenlang liefdevol snuisteren tussen oud papier aen natuurlijk ook gewoon toeval.”(p. 9) De meeste aandacht gaat uit naar Franse kinderpublicaties, maar ook Britse, Duitse en enkele Belgische publicaties worden behandeld. De auteurs traceren enkele terugkerende thema’s omtrent de oorlog in de toenmalige beeldcultuur voor kinderen. Zo blijken bijvoorbeeld in de Franstalige publicaties de gekleurde soldaten uit de Franse kolonies op een heel positieve manier te worden voorgesteld. Door verschillende gevisualiseerde versies van eenzelfde verhaal (zoals de executie van een Franse scout door de Duitsers) te tonen, kan de lezer de talrijke variaties zelf bestuderen. Dit boek bevestigt bovendien wat Audoin-Rouzeau destijds al stelde, namelijk dat kinderen vanaf 1914 uitdrukkelijk bij het oorlogsgebeuren betrokken werden. In de door Anthony Langley verzamelde illustraties worden kinderen vaak als actieve personages in het oorlogsgebeuren voorgesteld: kinderen helpen het eigen leger, soms schieten zelfs Duitse soldaten neer, maar zij worden ook vaak door de Duitsers mishandeld of terechtgesteld.

Tevens waren er opmerkelijke verschillen tussen de benaderingen in de twee kampen het Duitse en het Franse, wat Audoin-Rouzeau ook al beschreef. Uit hun verzameling Duitse kinderpublicaties besluiten Anthony en Nicky Langley dat de Duitse publicaties voor kinderen meer terughoudend waren dan die van het andere kamp: zo zouden de kinderpersonages in Duitse publicaties zelden in oorlogssituaties getoond worden. Zeker in tegenstelling tot de Franse uitgaven zouden de Duitse kinderbladen veeleer ernstige informatie willen verschaffen door schematische voorstellingen van loopgraven en technische beschrijvingen van wapens en uniformen. De auteurs laten na enkele belangrijke afwijkende publicaties te behandelen, zoals het prentenboek van Herbert Rikli Hurra! Ein Kriegsbilderbuch waarin een peuter, in Duits legeruniform en met punthelm op, een Russische soldaat neerschiet. Een ander opmerkelijk Duits kinderboek, dat wel door Audoin-Rouzeau wordt geanalyseerd, Lieb Vaterland magst ruhig sein! van Arpad Schmidhammer blijft ook onbesproken in De Grote Oorlog voor kleine kinderen.

Door het ontbreken van bronverwijzingen kan de lezer moeilijk inschatten in welke mate de auteurs zich gebaseerd hebben op reeds bestaand onderzoek. Ze missen alleszins toch enkele belangrijke aspecten (o.a. de evolutie van beeldcultuur op de vier jaren van de oorlog). De auteurs hebben evenmin oog voor andere kinderproducten zoals speelgoed, abc-boekjes of ganzenborden, die tijdens de oorlog ook aangepast werden aan de oorlogscontext. Zulke producties werden wel in vorige studies (Audoin-Rouzeau, Kingsbury) betrokken. Soms hebben de auteurs zich onvoldoende gedocumenteerd, want nu stellen ze bijvoorbeeld op pagina 20 onterecht dat er toen nog geen gespecialiseerde kinderpers in België was. In de jaren voor WO I starten echter al enkele Antwerpse publicaties zoals Het Mannekensblad en Het Lacherke. De auteurs gaan al eens dieper in op enkele illustratoren, maar qua analyse en contextualisering blijft De Grote Oorlog voor Kleine Kinderen in het algemeen veel oppervlakkiger en biedt het heel wat minder historische context dan bijvoorbeeld het boek van Audoin-Rouzeau. Een boek samenstellen louter op basis van eigen collectie, hoe omvangrijk ook, heeft dus een aantal belangrijke beperkingen. Zo ontbreken in dit vlotlezend kijkboek de nodige bibliografische gegevens bij de illustraties – soms kan de lezer op een cover wel een datum ontdekken, maar het is jammer dat zelfs niet achteraan meer gedetailleerde gegevens te vinden zijn. Ondanks al deze beperkingen blijft De Grote Oorlog voor kleine kinderen toch nog een belangwekkende publicatie omwille van de interessante verzameling van veelal vergeten beeldmateriaal uit enkele oorlogslanden.

Dit boek beperkt zich tot een aantal oorlogvoerende landen in West-Europa, uiteraard zou het ook boeiend zijn om kinderpublicaties uit andere oorlogslanden zoals Rusland, Servië of de VS of neutrale landen zoals Nederland bij een dergelijk vergelijkend onderzoek te betrekken. Tevens zou men kunnen nagaan in welke mate de beeldvorming inzake het oostelijke front met Rusland, verschilde van die van het westelijke front.

Pascal Lefèvre